Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Nederlandse Recht

Beoordeling
-
Verkocht
3
Pagina's
75
Geüpload op
05-12-2019
Geschreven in
2019/2020

Volledige samenvatting van het boek Inleiding in het Nederlandse recht. Het is compact geschreven zodat het eenvoudig te lezen is.

Instelling
Vak

Voorbeeld van de inhoud

lOMoARcPSD|945481




Hoofdstuk 1 Recht in het algemeen
1. Inleiding
Het recht heeft de taak om zo mogelijk conflicten te voorkomen en bestaande conflicten op te lossen
(vrede stichten en bewaren). Het recht heeft twee functies:
- ordenen (stellen van regels)
- handhaven (geschilbeslechting).

2. De rechtsbronnen
(Positief) recht: het geheel van geldende rechtsregels (in Nederland)
Objectief recht: algemene regel (law)
Subjectief recht: individuele regel (right)

Rechtsbronnen:
- Wet. Elke algemeen geldende geschreven rechtsregel die afkomstig is van een tot wetgeving
bevoegd overheidsorgaan
- Jurisprudentie. De rechter legt een onduidelijk regel uit door het maken van een nadere regel of
formuleert zelfstandig een nieuwe regel. Als andere rechters dit ook toepassen, is er sprake van
jurisprudentie (rechtersrecht).
- Gewoonte
- Verdragen en wetgevende besluiten van volkenrechtelijke organisaties waartoe Nederland
toebehoort

3. Nationaal en internationaal recht
Soevereiniteit: ieder land staat in beginsel vrij zijn wetgeving te regelen en te bepalen welke
bevoegdheden aan het bestuur en rechterlijke macht toekomen. Hoogste macht en
onafhankelijkheid
Volkenrecht: rechtsregels over verkeer tussen staten onderling en het verkeer tussen staten en
volkenrechtelijke organisaties. Voornamelijk verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties
en gewoonterecht.
Verdrag: een schriftelijke, bindende regeling tussen staten onderling of tussen staten en
volkenrechtelijke organisaties. Soorten:
– verdragen waarbij alleen de betreffende regeringen wederzijds verplichtingen aangaan.
– verplichtingen voor de wetgevers van de aangesloten staten tot het maken of aanpassen van
wetgeving.
– rechtsregels die in een staat zonder tussenkomst van de wetgever rechtstreeks in het nationale
recht kunnen gelden (EVRM bijv door Raad van Europa)
– regelingen waarbij bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak worden opgedragen aan
een internationale organisatie (art. 92 Grondwet)
Monisme: rechtsregels uit een verdrag kunnen deel maken uitmaken van het nationale recht zonder
de eerst omzetting in nationaal recht nodig is. Nederland heeft dit ook.
Voorrangsregel: internationaal recht gaat voor nationaal recht (art. 94 Grondwet)

Door de werking van het monistisch systeem in art. 93 Gw en de voorrangsregel in art. 94 Gw, neemt
het internationaal recht een dominante plaats in binnen de Nederlandse rechtsorde.




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




4. Materieel en formeel recht
Materieel recht: regels die betrekking hebben op de rechten en plichten van personen in onderling
verkeer
Formeel recht (procesrecht): regels over de wijze van procederen voor de rechter

5. De rechtsgebieden
Het staatsrecht
Staatsrecht: regels die betrekking hebben op de organisatie van de Staat en zijn organen en op de
bevoegdheden van die organen. Het omvat ook de verhouding tussen burgers tot de Staat en de
mogelijkheden die burgers hebben om invloed uit te oefenen op het functioneren van de staat.

De Grondwet is het belangrijkste wettelijke fundament. Dateert van 1815 en is voor het laatst
ingrijpend gewijzigd in 1983. Begint met grondrechten, omdat de mens meer is dan alleen een
onderdaan van de staat  vrijheidsrechten. Hierna politieke grondrechten en sociale grondrechten.
Het grootste deel van de Grondwet is gewijd aan de inrichting van de Staat en de bevoegdheden van
de belangrijkste overheidsorganen: organieke wetten. Voorbeelden: Wet op de Raad van State (art.
74 Gw) en de Ambtenarenwet (art. 109 Gw)
In de loop der jaren zijn er geleidelijk in het parlementaire leven regels ontwikkeld en niet vastgelegd
in een wettelijke regeling, waarbij het met name gaat om de verhouding tussen regering en
parlement en de gang van zaken van de kabinetsformatie. Dit gewoonterecht speelt een belangrijke
rol.

Het bestuursrecht
Bestuursrecht: regelt de manier hoe de overheid kan ingrijpen in de openbare rechtsorde (juridische
bestuursactiviteit). Ook wel administratief recht. Overheid en burger staan tegenover elkaar. Dit
komt voor een groot deel tot uiting in een beschikking: een besluit van een bestuursorgaan dat
rechtsgevolgen vaststelt voor één individu(/rechtspersoon). Voorbeelden: toekennen van stufi,
verstrekken van WW of een visum. Zijn alleen geldig als ze in overeenstemming zijn met de wet en
met de zogenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit staat grotendeels vastgelegd in
de Algemene wet bestuursrecht  gekomen in 1994, bevat systematische regeling voor
bestuurs(proces)recht en is van kracht in een groot aantal bestuursrechtelijke zaken.

Een burger kan beroep doen tegen een beschikking bij de rechter. Deze verleent rechtsbescherming
aan de burger tegen beschikkingen waarmee iets is. Dit vindt plaats bij de bestuursrechter in het
bestuursprocesrecht. Hoofdregel is dat de burger bij de rechtbank in beroep kan komen tegen een
beschikking. In hoger beroep gaan is mogelijk.

Het strafrecht
Strafrecht: bepaalde gedragingen (strafbare feiten) worden bedreigd met straf. Reden is voorkomen
dat de gedragingen worden verricht en het beveiligen van de maatschappij. Belangrijkste kenmerk:
leedtoevoeging dader. Strafbare feiten kunnen gepleegd worden door natuurlijke personen en
rechtspersonen. Overheid (OM, ondergeschikt aan Minister van Veiligheid en Justitie) en burger
staan tegenover elkaar.
Materieel strafrecht: geeft aan welke feiten strafbaar zijn, wie de dader is en met welke sancties het
plegen van die feiten wordt bestraft. Grotendeels neergelegd in Wetboek van Strafrecht, maar ook
bijv. Opiumwet, Wegenverkeerswet en Wet wapens en munitie.




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




Formeel strafrecht (strafprocesrecht): bevat voorschriften omtrent de gang van zaken bij de
opsporing van strafbare feiten, onderzoek ter terechtzitting en de tenuitvoerlegging van de straf.
Vrijwel geheel geregeld in Wetboek van Strafvordering.

Het vervolgen en berechten van strafbare feiten is bij uitsluiting opgedragen aan de overheid. Deze
bevoegdheid is voorbehouden aan het OM, ondergeschikt aan Minister van Veiligheid en Justitie.
De belangrijkste strafrechtelijke sancties zijn ingevolge art. 9 Sr de gevangenisstraf, de hechtenis, de
taakstraf en de geldboete. Het strafbaar stellen van bepaalde feiten moet met grote zorgvuldigheid
gedaan worden omdat het vrijheden kan ontnemen. Gedragingen zijn alleen strafbaar op grond van
een wettelijk voorschrift met daarin een straf  gewaarborgd in art. 16 Gw en art. 1 lid 1 Sr. Er zijn
geen regels van ongeschreven strafrecht die straffen kan opleggen.

Het burgerlijk recht
Het burgerlijk recht (/privaat recht / civiel recht): regelt de rechten van de burger en
rechtsverhoudingen tussen burgers en rechtspersonen onderling. Geregeld in Burgerlijk Wetboek. In
het materiële privaatrecht kan men twee hoofdgroepen onderscheiden:
- regels betreffende de persoon  bestaat uit personen- en familierecht en het rechtspersonenrecht
- regels betreffende het vermogen van de persoon  eigendomsrechten (fiets, huis,boek) en rechten
en plichten uit overeenkomsten (huurovereenkomst, arbeidsovereenskomst)
Het handelsrecht wordt ook gerekend tot het burgerlijk recht en is te vinden in het Bw en Wetboek
van Koophandel, maar die wordt binnenkort afgeschaft.

Rechtspersonen zijn juridische samenwerkingsvormen die zelfstandig aan het rechtsverkeer kunnen
deelnemen. Zijn bijv. verenigingen en stichtingen, maar ook de Staat, gemeenten en hogescholen.

Het arbeidsrecht en sociaal zekerheidsrecht
Arbeidsrecht: geheel van rechtsregels dat betrekking heeft op de arbeidsverhouding van personen
die in loondienst werkzaam zijn. Zowel private als publieke sector. Belangrijke onderwerpen:
arbeidsovereenkomst, arbeidsomstandigheden, staking. Bronnen van het arbeidsrecht zijn verdeeld
naar onderwerp.
Collectief arbeidsrecht: het geheel van regels omtrent vakverenigingen, collectieve
onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden, invloed van de overheid op de collectieve
onderhandelingen en collectieve conflicten. De rechtspositie van groepen werkgevers en
werknemers wordt geregeld in sociaal overleg.
Sociale zekerheidsrecht: onderdeel van het arbeidsrecht dat zich met het stelsel van sociale
voorzieningen bezighoudt

6. Publiekrecht en privaatrecht
Publiekrecht: regels tussen overheid en burger en tussen overheidsinstanties. Staatsrecht,
bestuursrecht, strafrecht, volkenrecht, en regels over de inrichting van de Staat, bevoegdheden van
zijn organen en de uitvoering van exclusief aan de overheid opgedragen taken.
Privaatrecht: regels tussen (rechts)personen.

Discussiepunten over verschil publiekrecht/privaatrecht:
- Verschil moet worden gezocht in of het van algemeen belang is of niet. Zo wel: publiekrecht, zo
niet: privaatrecht. Bezwaar: privaatrecht is ook van algemeen belang.
- Verschil tussen publiekrecht en privaatrecht is dat publiekrecht tussen overheid en burger is en




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




privaatrecht tussen burgers onderling. Bezwaar: Staat treedt met regelmaat op gelijke voet met een
particulier. Alleen als de overheid “als overheid” handelt, is het publiekrecht. Privatisering, dus
grenzen worden vaag  “osmose” volgens Van der Hoeven.
- Verschil: onderwerp publiekrecht is de inrichting van de overheid (staatsrecht) en de wijze waarop
exclusief aan de overheid toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend (bestuursrecht en
strafrecht) en het privaatrecht gaat uit van gelijkwaardige rechtshoudingen tussen personen.
Privaatrecht is dus horizontaal en publiekrecht verticaal (overheid – onderdaan).


Hoofdstuk 2 Recht en staat
1. Verdeling van overheidsmacht: de trias politica
Voor de bescherming van zijn vrijheid is het individu aangewezen op de staat. Tegelijkertijd kan de
staat een bedreiging voor die vrijheid vormen, omdat de staats in veel opzichten macht heeft over de
burger.

De trias politica is afkomstig van de Franse denker en rechter Montesquieu (1689 – 1755). Als de
macht in één hand zou liggen dan is er machtsconcentratie, wat leidt tot machtsmisbruik en burgers
hebben zo geen vrijheden. Montesquieu vond het een goed idee de taken te verdelen. Vandaar ook
het synoniem van trias politica “de leer van de machtenscheiding”. Macht is in deze context de
bevoegdheid die aan een orgaan is toebedeeld. De leer van de machtenscheiding komt hier op neer:
- Drie machten: wetgevende (stellen van algemene regels), uitvoerende (uitvoeren van
overheidstaken die in de algemene regels zijn vastgelegd) en rechtsprekende (beslechting van
geschillen over de juiste toepassing van het recht)
- Drie afzonderlijke organen. In verschillende organen mag niet eenzelfde persoon zitten.
Spreiding en scheiding zijn volgens Montesquieu onvoldoende omdat het gevaar bestaat dat een of
meer organen tiranniek gaan gedragen. Er hoort daarom een systeem te zijn van checks en balances.
Checks: het houden van toezicht van de een op de ander. Balances: tussen staatsorganen moet in
een zeker evenwicht worden samengewerkt.

Montesquieu vergelijkt drie typen staatsinrichting met elkaar: l’état monarchique (staat met
monarchie), l’état despotique (staat met despoot, er zijn geen wetten en rechter treed eigenmachtig
op en volgens persoonlijke voorkeuren), l’état républicain (republiek) en dit is zijn ideaal.
Montesquieu wilde in zijn republikeinse staat de wetgevende macht toevertrouwen aan een orgaan
dat wat samenstelling betreft een afspiegeling is het van het volk. Hij dacht daarbij aan een
parlement dat naar Engels voorbeeld bestaat uit twee kamers: een Lagerhuis (gekozen door de
burgerij) en een Hogerhuis (adel is vertegenwoordigd). Wetten kunnen hierdoor slechts stapsgewijs
tot stand komen en dus de kwaliteit ten goede komen. Qua rechterlijke macht wilde hij een volledig
onafhankelijk orgaan waarvan de leden onafzetbaar zijn. De taak van een rechter was in zijn visie
beperkt, hij was niet meer dan een “spreekbuis van de wet”. Zijn taak was het naprevelen van de
woorden van de wet.

Legisme: houdt in dat het gehele recht uitsluitend door de wetgever wordt geschapen. Het recht =
de wet en de wet is ook de enige rechtsbron. Ontstaan van legisme ligt bij Frankrijk. Volk had geen
enkele invloed op wetgeving of rechtspraak.




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




Rousseau (1712 – 1778) vond dat recht uitsluitend door het volk moest worden gemaakt. De
wetgevende macht moest gekozen worden door het volk. Daardoor is de wet afkomstig van het volk
en dus identiek aan die wil. Hij was ook voorstander van legisme.
Pas in de negentiende eeuw is de wil om regels te codificeren ontstaan: het recht op systematische
wijze in wetboeken opnemen.

2. De trias politica in Nederland
In Nederland is de stricte scheiding niet zo aanwezig. De checks en balances zijn vooral belangrijk. Er
is ook al sprake van machtsevenwicht als het praktisch onmogelijk is dat één orgaan alle macht naar
zich toe kan trekken. Die doelstelling is in Nederland bereikt.

De wetgevende macht
Wetgevende macht: regering en Staten-Generaal(Eerste en Tweede Kamer art. 50 en 51 Gw, ook wel
parlement)(art. 81 Gw). Tweede Kamer wordt rechtstreeks gekozen, Eerste Kamer via de provinciale
staten. Bevoegd tot maken van wetten.
Regering en ministers hebben ook de zelfstandige bevoegdheid om algemeen verbindende
voorschriften te maken. Staten-Generaal(parlement) is meer controlerend.

De uitvoerende macht
Uitvoerende macht: regering: Koning en ministers (art. 42 lid 1 Gw). De ministers vormen samen de
ministerraad (art. 45 Gw), deze staat onder voorzitterschap van een bij koninklijk besluit benoemde
minister-president (art. 43 Gw). Hier worden onder meer besluiten genomen over tal van kwesties in
het algemeen regeringsbeleid. Ministers en staatssecretarissen zijn het kabinet.
De regering is op zich vrij in het bepalen van het beleid, maar de Staten-Generaal oefenen daarop
achteraf toezicht uit. De belangrijkste bestuursbesluiten neemt de regering of desbetreffende
minister zelf. Zo’n besluit heet een koninklijk besluit (KB). De inhoud is echter erg verschillend, dit
ligt aan de functie die de Kroon (regering) uitoefent:
- De regering maakt ook beschikkingen (bestuur). Dit is zuiver volgens de trias politica: het bestuur
beslist in een individueel geval op basis van algemene regels.
- De regering heeft ook een wetgevende bevoegdheid (wetgeving). Ze kunnen zelfstandig ook regels
maken  AMvB (algemene maatregel van bestuur), een algemeen verbindend voorschrift.

De rechtsprekende macht
Rechtsprekende macht: rechterlijke macht en gerechten die niet tot rechterlijke macht behoren (art.
112 e.v. Gw). De samenstelling en werkwijze zijn vastgelegd in de Wet op rechterlijke organisatie
(Wet RO).
Taken: beslechting van geschillen op basis van algemene regels, en taken met bestuursrechterlijk
karakter, waarvan de uitspraken dan beschikking heten i.p.v. vonnis of arrest. De rechter is nooit
bevoegd om wetten te maken of het bevel te geven dit te doen aan de wetgever.

De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is zo goed gewaarborgd omdat de rechter in geen
enkel opzicht ondergeschikt is aan enig overheidsorgaan. Er is ook geen formele hiërarchie bij de
rechterlijke macht. De onafhankelijkheid is zo belangrijk omdat men ook beroep kan doen op
wetgeving of bestuur.




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




3. Decentralisatie
Behalve de trias politica is er nog een spreiding van macht: namelijk tussen centrale overheid en
lagere overheden  decentralisatie. In hoofdstuk 7 van de Grondwet worden belangrijke gedeelten
van de functies wetgeving en bestuur overgelaten aan een aantal lagere overheden zoals provincies,
gemeenten en waterschappen. Decentralisatie voorkomt dat in ons land alle wetgeving uitsluitend
afkomstig is van regering en Staten-Generaal tezamen en dat alle bestuur uitsluitend door de
regering wordt gedaan.

Twee vormen van decentralisatie:
1. Territoriale decentralisatie: bij lagere overheden. Bevoegdheden die uitsluitend uitgeoefend
kunnen worden binnen een bepaald grondgebied.
Provincies:
Wetgevers: provinciale staten  provinciale verordeningen (algemeen verbindende voorschriften).
Bestuur: college van gedeputeerde staten o.l.v. de commissaris van de Koning (heeft ook nog
bestuurlijke bevoegdheden)
Gemeenten:
Wetgevers: gemeenteraad  gemeentelijke verordeningen (algemeen verbindende voorschriften).
Bestuur: college van burgemeester en wethouders. De burgemeester is zelf ook bestuursorgaan met
eigen bevoegdheden
2. Functionele decentralisatie: aan publiekrechtelijke lichamen zijn wetgevende en bestuurlijke
bevoegdheden toegekend met het oog op verwezenlijken van een specifieke doelstelling.

Gemeenten en provincies kunnen hun bevoegdheden op het terrein van wetgeving en bestuur
binnen twee verschillende kaders uitoefenen:
- Autonomie: Gemeenten en provincies hebben de bevoegdheid om zelfstandig bepaalde
aangelegenheden te regelen en besturen (art. 124 lid 1 Grondwet). Bijv. vaststellen van een
verkeerscirculatieplan. De centrale overheid mengt zich hiermee niet vooraf in.
- Medebewind: Gemeenten en provincies moeten op grond van de wet meewerken aan de
verwerkelijking van hetgeen op centraal niveau al is geregeld of besloten (art. 124 lid 2 Gw).

4. Nederland: een parlementaire democratie
Nederland is een democratie: de bevolking heeft zeggenschap over de overheid. De belangrijkste
kenmerken van de Nederlandse democratie:
- Volksvertegenwoordiging gekozen d.m.v. van vrije en eerlijke verkiezingen
- De Staat is een rechtsstaat gebaseerd op de Grondwet
- Parlementair stelsel (volksvertegenwoordiging heeft het laatste woord over de vraag of de
regering/minister aan het bewind kan blijven)
- Grondrechten

Bij democratieën is of sprake van een monarchie of republiek. Nederland heeft een constitutionele
monarchie: de positie van de Koning is verankerd in de Grondwet en daarmee ook begrensd.

Vertegenwoordiging
In Nederland geen directe democratie (beslissingen worden door burgers genomen) omdat de
volksvertegenwoordiging het woord voor ons doet. Wij hebben dus een representatieve democratie.
Een bestaansvoorwaarde hiervoor is dat de burgers de bevoegdheid hebben zelf hun




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




vertegenwoordigers in de belangrijkste staatsorganen te kiezen  art. 4 Gw  actief kiesrecht
(stemmen) en passief kiesrecht (recht om gekozen te worden).

Het parlement (Staten-Generaal) vertegenwoordigt het gehele Nederlandse volk (art. 50 Gw). De 150
leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks door burgers gekozen voor een periode van 4 jaar,
tenzij eerder verkiezingen worden uitgeschreven. De 75 leden van de Eerste Kamer worden ook voor
4 jaar gekozen, maar door de provinciale staten (die wel rechtstreeks worden gekozen).

Stelsel van evenredige vertegenwoordiging: zetels worden aan een politieke partij toebedeeld in
evenredigheid met het aantal op die partij uitgebrachte stemmen. Sinds 1917.
Districtenstelsel: per district 1 zetel voor het parlement beschikbaar waardoor de kandidaat met de
meeste stemmen wordt afgevaardigd
Referendum: volksraadpleging, kiezer heeft direct zeggenschap over een besluit (directe
democratie). Dit kan ook op gemeentelijk niveau

De rechtsstaat
Beginsel is dat de overheid verplicht is zich aan het recht te houden. De burger kan zich tot de
rechter wenden als hij het niet eens met optreden van de overheid, ofwel rechtsbescherming tegen
de overheid. Algemene rechtsbeginselen begrenzen de vrijheid van de overheid bij het maken van
beschikkingen, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel (besluit moet zorgvuldig worden genomen door
alle in aanmerking komende belangen af te wegen) en het vertrouwensbeginsel (het
overheidsorgaan mag opgewekte verwachtingen niet beschamen). Er zijn overheidsbeschikkingen
geregeld in afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet alleen het bestuur maar ook de
wetgever is aan dit soort beginselen gebonden.
Een vereiste van de rechtsstaat is het beginsel dat elk optreden van de overheid uiteindelijk direct of
indirect te herleiden moet zijn tot de Grondwet  beginsel van de wetmatigheid van bestuur.

Het parlementaire stelsel
Parlementair stelsel: betrekking tussen regering en parlement. De vertrouwensregel is de grootste
steunpilaar: de regering moet de steun hebben van het parlement om te kunnen regeren. Bij een
conflict tussen Tweede Kamer en regering kan de regering aan het bewind blijven, de Kamer
ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven. De regering kan de Kamer niet voor een tweede keer
ontbinden, en moet dan zelf aftreden. De regering is voor haar voortbestaan aangewezen op het
vertrouwen van een kamermeerderheid.
Bij fundamentele onenigheid met de Kamer biedt het kabinet zijn ontslag aan bij het staatshoofd, die
houdt dat in beraad en beslist daarover pas na het aantreden van een nieuwe kabinet. Dit komt
alleen van te pas bij een interne crisis als de verkiezingen er al aan komen.

Niet alleen de vertrouwensregel speelt een rol tussen de regering en het parlement, ook de
kabinetsformatie. De kabinetsformatie gaat geheel volgens gewoonterecht. Het uitgangspunt is dat
een regering moet worden gevormd die tijdens haar bestaan kan rekenen op de steun van de
meerderheid van de Tweede Kamer. Om te bevorderen dat die kamermeerderheid blijft bestaan
tijdens de regeerperiode van het nieuwe kabinet, worden tijdens de kabinetformatie tussen partijen
die het kabinet zullen steunen, zogenoemde regeerakkoorden gesloten.

Het parlementaire stelsel heeft zich ontwikkeld op de grondslag van de ministeriele
verantwoordelijkheid: ministers zijn verantwoording verschuldigd aan beide Kamers voor alles wat




Gedownload door Sjaak Banaan ()

, lOMoARcPSD|945481




er gebeurt (art. 42 lid 2 Gw). Met het oog op de mogelijkheid van parlementaire controle van deze
verantwoordelijkheid zijn in 1848 twee rechten in de Grondwet toegekend:
- Recht van interpellatie: leden van elk van beide Kamers kunnen mondeling/schriftelijk aan
ministers(/staatssecretarissen) vragen om inlichtingen. Vaak actuele kwesties. Ministers doen dit ook
op eigen houtje. Overigens kan hij inlichtingen weigeren in strijd met het belang van de Staat. Het
vragenrecht is voor individuele kamerleden. Als er bepaalde maatregelen nodig zijn na een inlichting,
dan kunnen de leden van de Tweede Kamer een motie invoeren. Dit kan voorstellen bevatten, maar
ook een motie van wantrouwen zijn.
- Recht van enquête. Recht op onderzoek. Ministeriele verantwoordelijk staat niet per se centraal,
maar tijdens de enquête kan dit wel boven tafel komen.

5. Grondrechten
Grondrechten zijn fundamenteel en onvervreemdbaar. Vastgelegd in H1 van de Gw.
-Fundamenteel : ze beperken de staatsmacht ter wille van de menselijke vrijheid en waardigheid
-Onvervreemdbaar: kunnen niet aan een ander worden overgedragen of worden opgegeven, omdat
ze horen bij het zijn van de mens

Er zijn ook grondrechten van internationale bronnen, waarvan de bekendste:
- EVRM (Rome 1950)
- Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) (1966)
- Europees Sociaal Handvest (ESH) (1980), vooral grondrechten met betrekking tot arbeidsproces
Deze verdragen (behalve IVESCR en ESH) zijn een ieder verbindende bepaling in Nederland (in de zin
van art. 94 Gw).

Klassieke grondrechten
De macht van de Staat wordt in toom gehouden door de vrijheid van het individu vast te zetten in
regels. Andere denkers dan Montesquieu over de staat en de vrijheid van de individu zijn Rousseau
en Locke. Locke spreekt van drie rechten: “life, liberty and property”. Er is als het ware een contract
tussen overheid en burger, waarbij de overheid een bepaalde macht krijgt terwijl de burger in ruil
daarvoor zijn grondrechten krijgt. Deze drie rechten zijn de klassieke grondrechten omdat de meeste
daarvan al eeuwen worden erkend en in diverse constituties zijn opgenomen. Wezenlijk voor de
klassieke grondrechten zijn dat ze beschermen tegen de overheid.

Indeling klassieke grondrechten:
- Vrijheidsrechten  essentiele aspecten van het menselijk bestaan waarmee de overheid zich in
beginsel niet mee hoeft te bemoeien
- Politieke rechten  actieve deelname burgers aan democratie
- Gelijkheidsrechten

Grondrechten hebben een verticale houding (overheid – burger), maar kan ook horizontaal werken.

Sociale grondrechten
“Voorwerp van zorg der overheid”. Te vinden in art. 18 lid 2 t/m art. 23 lid 1 Gw. De overheid moet
streven naar ontplooiing van de burgers (werkgelegenheid, onderwijs, sociale zekerheid, etc). Een
actief optreden wordt van de overheid verwacht, meestal ter beschikking stellen van geld.




Gedownload door Sjaak Banaan ()

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Studie
Vak

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
5 december 2019
Aantal pagina's
75
Geschreven in
2019/2020
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$5.36
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
collectief_samenvattingen Nyenrode Business Universiteit
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1962
Lid sinds
9 jaar
Aantal volgers
1669
Documenten
5
Laatst verkocht
6 dagen geleden

3.8

297 beoordelingen

5
97
4
106
3
51
2
22
1
21

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen