Lage rugpijn → rugpijn die zich bevindt tussen de onderste ribben en bilplooien.
De rugpijn kan uitstralen naar een/beide billen en/of benen.
ASPECIFIEKE LAGE RUGPIJN DIAGNOSTISCH PROCES
Indicatie fysiotherapie
• Patiënt met lage rugpijn heeft een hulpvraag die gerelateerd is aan beperkingen in ADL en/of
maatschappelijke participatie op basis van het bewegend functioneren;
• De therapeut ziet geen aanleiding tot (terug)verwijzing naar huisarts of specialist.
Rode vlaggen
Neurologisch noodgeval
• Uitval op bepaald niveau hebben → cauda-equinasyndroom.
• Moeite met plassen of ontlasting
• Toenemende motorische zwakte of uitval aanwezig
• Eventueel uitval aan twee kanten, waarbij motorische uitval dusdanig ernstig is dat de MRC-
score onder de 3 gaat zitten.
• Gevoelsstoornissen die zijn opgetreden in minder dan 48 uur.
• Wijdverspreide neurologische symptomen (bijv. Piramidale tekenen (dezelfde tekenen bij
iemand die herseninfarct heeft)) → problemen met spraak, hangen van helft van het gezicht,
problemen met slikken etc.
Fractuur
• Ernstige lage rugpijn na (hoogenergetisch) trauma.
• Ernstige lage rugpijn kan ook ontstaan na kleine trauma of zonder dat de pt zich bewust is
van een trauma → komt vaak voor bij mensen met een verhoogde kans op een fractuur.
- Hoge leeftijd
- Voorgeschiedenis van kanker
- Axiale spondylartritis
- Osteoporose
- Langdurig gebruik corticosteroïden.
Infectie
• Nachtzweten
• Rillingen en verhoogde temperatuur
• Intraveneus druggebruik
• Immunodeficiëntie (immuunsysteem werkt niet zo goed).
• Onverklaard gewichtsverlies
• Bekend zijn met voorgaande systemische infecties of risico op infectie.
• Recente chirurgische ingreep (pt kan daarna infectie oplopen).
• Huidinfectie of infecties in de urine.
Tumor
• Komt vooral voor bij jongeren < 18 jaar of ouderen > 55 jaar.
• Voorgeschiedenis van kanker.
• Onverklaard gewichtsverlies > 5kg verlies binnen een maand.
• Vermoeidheid (ernstiger dan normaal).
• Ernstige nachtelijke pijn (die niet over gaat bij wisselen van houding)
• Nachtzweren
,Samenvatting Lage rugpijn BAS 6
Inflammatoire aandoening
• Pijn die constant aanwezig is en niet afhankelijk is van houding of bewegen.
• Pijn die goed reageert op NSAID’s (naproxen, ibuprofen (ontstekingsremmers)).
• Rugpijn verbeterd bij lichaamsbeweging maar niet in rust.
• Familiair bekend hiermee
• Ernstige nachtelijke pijn
• Ochtendstijfheid die langer dan 30 min aanhoudt.
• ’s nachts wakker worden bij jonge patiënten
• Meer dan 5 jaar lang lage rugpijn (axiale spondylartritis).
Diversen
• Toenemende postoperatieve pijn
• Unilaterale piramidale tekenen (grotere cognitieve functies die niet goed werken).
Anamnese
Centraal: hulpvraag van de patiënt (standaard bij elke klacht).
Functies en anatomische eigenschappen:
• Beloop van klachten.
• Duur / ontstaanswijze van klachten.
• Vragen of er voorheen al eerder dit soort klachten zijn geweest (recidief)
• Wat hielp toen en hoelang hield dit stand?
• Ook vragen naar plassen ontlasting hoe dat gaat.
• Krachtverlies
• Sensibiliteitsstoornissen
• Uitstraling naar 1 of beide billen en/of benen.
• Meer pijn bij drukverhogende momenten (niezen / hoesten / persen / lachen).
• Hoelang houdt de pijn aan?
• Is de pijn houdingsafhankelijk / altijd aanwezig?
• Invloed op rust / slaap
Activiteiten en participatie
• Aanwezigheid van co-morbiditeiten en daaraan gerelateerde beperkingen in activiteiten
• Seksuele klachten kunnen ook uitgevraagd worden.
• Mate van belemmering in ADL (thuis / werk / hobby’s / vrije tijd / school).
• Balans tussen belasting en belastbaarheid
Externe factoren
• Thuissituatie (financieel / gezinssituatie / woningtype).
• Sociaal netwerk en ondersteuning.
• Situatie omtrent werk (relatie collega’s / tevreden over werk / sociale ondersteuning werk /
financiële omstandigheden en aanpassingen / mentale + fysieke belasting tijdens werk).
Persoonlijke factoren
• Algehele malaise (standaard rode vlaggen)
• Leefstijl (BRAVO)
• Medische voorgeschiedenis
• Medicatie / comorbiditeiten.
• Beweegnorm
• Ideeën en verwachtingen van het ontstaan en voortbestaan van klachten.
, Samenvatting Lage rugpijn BAS 6
• Uitvragen van stress.
• Mate van motivatie (zelfeffectiviteit / coping).
• Verwachting en specifieke vragen met betrekking tot de therapie.
• Eventueel verwachtingsmanagement toepassen wanneer beeld van patiënt niet reëel is.
• Mate van depressieve klachten, psychosociale stress en ziekteperceptie (catastroferen).
(Belemmerende) prognostische factoren
Aan rugpijn gerelateerde factoren;
- Iemand die eerder al lage rugpijn heeft gehad dan is het mogelijk een prognostische factor voor
vertraagd herstel.
- Hoge mate van beperkingen in activiteiten kan ook aanwijzing zijn voor vertraagd herstel.
- Pijn in het been
- Hoge pijnintensiteit (vanaf NPRS ≥7).
Patiëntgerelateerde factoren;
- Specifiek gekoppeld aan de persoon zoals slechte algemene gezondheidstoestand (vaak
zichtbaar).
- Kwaliteit van leven → hoe gelukkig is iemand.
Psychosociale factoren;
- Psychologische en psychosociale stress (stress zonder de aanwezigheid van specifieke
psychologische psychiatrische diagnose (werkstress, vechtscheiding, dierbare die recent
overleden is, iemand die ernstig ziek is etc)).
- Pijngerelateerde bewegingsangst, depressieve gevoelens of klachten (die los kunnen staan van
de lage rugpijn).
- Passieve copingstijl
- Negatieve verwachtingen over herstel of catastroferen (erger maken dan het is).
Werkgerelateerde factoren;
- Hoge fysieke belasting tijdens het werk.
- Slechte relaties met collega’s.
- Iemand heeft geen plezier in het werk dat diegene doet.
Klinisch beeld en beloop
• Episodes van weinig tot geen klachten wisselen zich af met matige tot ernstige rugpijn.
• Episode van rugpijn kan langzamerhand of acuut opkomen.
• Na 1-3 maanden is 25-50% weer volledig hersteld van de klachten.
• Ongeveer 50-75% heeft kans op recidief binnen 1 jaar.
• Beloop lage rugpijn minder gunstig indien dit gepaard gaat met pijn in het been.
• Verdenking LRS → zie LRS.
• LRS en gerefereerde pijn niet altijd goed te onderscheiden van elkaar.
• Gerefereerde pijn:
• Diffuse pijn
• Straalt niet uit onder de knie
• Minder intens in de lage rug.