HOOFDSTUK 6 – DE INHOUDINGSPLICHTIGE.....................................................................................1
6.1 DE INHOUDINGSPLICHTIGE................................................................................................................1
6.2 DE DRIE INHOUDINGSPLICHTIGEN VAN ART. 6, LID 1 WET LB 1964...........................................................2
6.3 DE FICTIEVE WERKGEVERS.................................................................................................................3
6.4 DE SAMENHANGENDE GROEP INHOUDINGSPLICHTIGEN............................................................................3
6.5 EINDE INHOUDINGSPLICHT................................................................................................................3
HOOFDSTUK 7 – HET LOON................................................................................................................4
7.8 GEBRUIKELIJKLOONREGELING.............................................................................................................4
HOOFDSTUK 12 – WERKGEVER EN VERVOER.....................................................................................6
12.1 INLEIDING...................................................................................................................................6
12.2 DE KILOMETERVERGOEDING............................................................................................................6
12.3 OPENBAAR VERVOER.....................................................................................................................7
12.4 VASTE REISKOSTENVERGOEDING.......................................................................................................7
12.4.1 INLEIDING...................................................................................................................................7
12.4.2 DE WETTELIJKE VASTE REISKOSTENVERGOEDING.................................................................................7
12.4.3 DE VASTE REISKOSTENVERGOEDING MET NACALCULATIE.......................................................................8
12.4.4 PRAKTISCHE REGELING (36-WEKENREGEL)........................................................................................8
12.5 VERVOER VANWEGE DE WERKGEVER.................................................................................................8
12.6 DE AUTO VAN DE WERKGEVER.........................................................................................................8
12.6.1 ALGEMEEN.................................................................................................................................8
12.6.2 TER BESCHIKKING STELLEN.............................................................................................................8
12.3.6 OMVANG VAN HET VOORDEEL........................................................................................................9
12.6.4 TEGENBEWIJS............................................................................................................................10
12.6.5 BESTELAUTO.............................................................................................................................11
12.6.6 WACHTDIENSTEN.......................................................................................................................12
12.6.7 PER LOONTIJDVAK, PER KALENDERJAAR, PER AUTO............................................................................12
12.6.8 VERKLARING (GEEN) PRIVÉGEBRUIK, NAHEFFING, BOETE....................................................................12
12.6.9 OVERIGE GEVOLGEN...................................................................................................................13
12.6.10 HARDHEIDSCLAUSULE EN BELANGENAFWEGING.............................................................................13
12.6.11 AUTOKOSTENFORFAIT NIET VOOR ANDERE VERVOERMIDDELEN..........................................................13
12.7 ZEEVARENDEN...........................................................................................................................13
12.8 DE REISAFTREK...........................................................................................................................13
HOOFSTUK 20 – AFWIJKENDE EN AANVULLENDE HEFFINGSREGELS................................................14
20.1 INLEIDING.................................................................................................................................14
20.2 DELEGATIEBEPALING....................................................................................................................14
20.3 AANNEMER VAN WERK, THUISWERKERS, SEKSWERKERS EN GELIJKGESTELDEN............................................14
20.4 GENIETERS VAN BIJSTANDSUITKERINGEN...........................................................................................14
, Hoofdstuk 6 – De inhoudingsplichtige
6.1 De inhoudingsplichtige
De werknemer is belastingplichtige, maar de werkgever is de afdrager, dit door het eerst in te
houden. In deze werknemersverzekeringen wordt de term inhoudingsplichtig niet gebruikt,
maar de term werkgever.
Kring van personen die de loonbelasting moet inhouden en afdragen
Degene die het loon moet uitbetalen is in beginsel de inhoudingsplichtige, deze rol kan niet
aan een derde worden doorgegeven. Als het loon via een derde uitbetaald is wordt dit niet
de inhoudingsplichtige, hij is het namelijk niet aan de werknemer verschuldigd (HR).
Geen fiscale eenheid
In de loonbelasting bestaat geen fiscale eenheid, een concern kan dus niet de loonheffing via
een van de vennootschappen laten verloren voor alle aangesloten vennootschappen en haar
werknemers.
De fiscale eenheid zou praktischer zijn, maar de wetgever en jurisprudentie voorzien hier
niet in. Het is in sommige gevallen wel mogelijk om gezamenlijk te betalen, maar de aangifte
moet individueel.
Concernregeling voor de werkkostenregeling
De werkkostenregeling kan wel door een vennootschap namens allen worden toegepast (art.
32 LB). Alle inhoudingsplichtige binnen het concern worden dan als eentje aangemerkt,
degene met de hoogste loonbelasting draagt deze af. De overige vennootschappen zijn dan
hoofdelijk aansprakelijk.
Concern wordt naar spraakgebruik opgevat, met inachtneming at er een aandeelhouders- of
zeggenschapsrelatie is
Verleggingsregelingen
Als binnen een concern een vennootschap in het buitenland inhoudingsplichtige is, kan hij
deze verleggen naar een in Nederland gevestigd onderdeel van het concern (art. 6 lid 6 LB).
Dit kan op verzoek van beide onderdelen en de inspecteur besluit bij voor bezwaar vatbare
beschikking, dit kan onder voorwaarden.
De verlegging ziet ook op loon uit vroegere dienstbetrekking.
Deze regeling geldt ook voor de werknemersverzekeringen (art. 9 WAO, art. 10 WW, art. 10
ZW, art. 11 WIA). Hiervoor geldt dat de werknemer wel verzekert moet zijn. Het Nederlandse
onderdeel kan de loonkostensubsidies verzilveren.
Bij onregelmatige pensioenafwikkeling (art. 19b LB) is de verzekeraar de inhoudingsplichtige
(art. 6 lid 5 LB). Dit speelt met name bij handelingen in strijd met vrijstellingsvoorwaarden,
ongeacht wie de werkgever is is de verzekeraar inhoudingsplichtig.
Een laagrentende personeelsgeldlening die doorloopt na pensionering kan mits
overeengekomen verlegd worden naar de pensioenverzekeraar die dan inhoudingsplichtige
wordt t.a.v. de rente (art. 33 lid 1 sub e LB jo. art. 11a Uitv.besl.LB). De werkgever moet de
inhoudingsplichtige hiervoor informatie verstrekken (art. 9.6 Uitv.reg.LB).
Kring van loonbelastingplichtigen
De inhoudingsplichtige term onderscheid ook wie wel/niet belastingplichtige is (art. 2 LB).
Inhoudingsplichtig is degene tot wie mensen in dienstbetrekking staan, of die loon uit
vroegere dienstbetrekking verstrekt (art. 6 lid 1 LB).
Hierbij geldt geen territoriale begrenzing, het kan in het buitenland zijn. Lid 2 biedt hierbij
voorwaarden zonder welke je niet als inhoudingsplichtige wordt gezien, maar je blijft het
wel. Je wordt daadwerkelijk als zodanig behandeld indien je in Nederland een vaste