De neurocognitie van epilepsie
Klinische Neurologie
Synchronisatie in het brein zorgt ervoor dat het verkeerd gaat in de hersenen. Als tegelijkertijd veel
gebieden gaan vuren kan bijvoorbeeld epilepsie ontstaan. Bij epilepsie gaan neuronen
hypersynchroon vuren. De gevolgen hiervan zijn aanvallen.
In Nederland zijn er 140.000 mensen met epilepsie. De incidentie heeft een U-vorm; twee pieken:
namelijk op jonge leeftijd en oude leeftijd.
Kinderen: subtiele aanvallen en cognitie
Hypersynchroon vuren aanval cognitieve problemen
Cognitieve comorbiditeit wordt gevonden bij 65% van de patiënten met actieve epilepsie en bepaald
voor 45% de ziektelast.
Bij kinderen zijn aanvallen heel moeilijk te zien. Niet-convulsieve aanval = aanval zonder vallen of
spierverkrampingen, maar kortsluiting die zich subtieler uit.
Acute effecten van een (niet-convulsieve) aanval op cognitie:
1. Peri-ictaal: korte maar frequente onderbreking van informatie-processing systeem: dit kan
cognitief zijn of gedragsmatig
a. Tijdelijke motorische en/of sensorische arrest
2. Post-ictaal: langere interval met onderbreking van cognitieve functie na een aanval, zelfs met
korte non-convulsieve aanvallen.
a. Na de aanval is er kans dat een kind het besef van tijd en plaats compleet kwijt is en
niet meer weet waar hij/zij is. Er kan wat tijd overheen gaan voordat de hersenen
weer terug zijn op normale verwerkingssnelheid.
b. Hyperactiviteit na/op einde van een aanval
c. Dyslexie na aanval (= transient cognitieve stoornis). Voor de aanval is geen
cognitieve stoornis aanwezig. Tijdens de hypersynchrone hersenactiviteit ontstaat
een cognitieve stoornis die na een aanval weer verdwijnt. Voorbeelden zijn amnesie,
afasie etc.
Al deze effecten kunnen ervoor zorgen dat kinderen moeite hebben om mee te komen op school.
EEG-PO
Er kan onderzoek gedaan worden door cognitieve test, EEG en videobeeld te combineren. Dit is
alleen heel tijdrovend. Video kijkt of epileptische aanval zichtbaar is op het gezicht. Met EEG wordt
de hersenactiviteit gemeten.
Omdat niet alle aanvallen duidelijke aanvallen zijn, worden veel epileptische aanvallen niet
opgemerkt.
Kinderen met convulsieve aanvallen (vallen etc.) hebben een normaal IQ. Kinderen met niet-
convulsieve aanvallen hebben een lager IQ.
Verklaring hiervoor is dat convulsieve aanvallen snel worden opgemerkt en er na 1 of 2 aanvallen al
aan de bel worden getrokken. Niet-convulsieve aanvallen vallen niet op, waardoor er vaak
honderden aanvallen plaatsvinden voordat er aan de bel wordt getrokken.
Dit verschil in IQ kan hersteld worden door het tijdig goed te behandelen.
Volwassenen: functionele stoornissen
Niet-epileptische aanvallen: het fenomeen lijkt neurologisch, maar is het niet. Bijvoorbeeld
verlammingen of tremors zonder neurologische aantoonbaarheid. Dit wordt psychogeen genoemd.
Klinische Neurologie
Synchronisatie in het brein zorgt ervoor dat het verkeerd gaat in de hersenen. Als tegelijkertijd veel
gebieden gaan vuren kan bijvoorbeeld epilepsie ontstaan. Bij epilepsie gaan neuronen
hypersynchroon vuren. De gevolgen hiervan zijn aanvallen.
In Nederland zijn er 140.000 mensen met epilepsie. De incidentie heeft een U-vorm; twee pieken:
namelijk op jonge leeftijd en oude leeftijd.
Kinderen: subtiele aanvallen en cognitie
Hypersynchroon vuren aanval cognitieve problemen
Cognitieve comorbiditeit wordt gevonden bij 65% van de patiënten met actieve epilepsie en bepaald
voor 45% de ziektelast.
Bij kinderen zijn aanvallen heel moeilijk te zien. Niet-convulsieve aanval = aanval zonder vallen of
spierverkrampingen, maar kortsluiting die zich subtieler uit.
Acute effecten van een (niet-convulsieve) aanval op cognitie:
1. Peri-ictaal: korte maar frequente onderbreking van informatie-processing systeem: dit kan
cognitief zijn of gedragsmatig
a. Tijdelijke motorische en/of sensorische arrest
2. Post-ictaal: langere interval met onderbreking van cognitieve functie na een aanval, zelfs met
korte non-convulsieve aanvallen.
a. Na de aanval is er kans dat een kind het besef van tijd en plaats compleet kwijt is en
niet meer weet waar hij/zij is. Er kan wat tijd overheen gaan voordat de hersenen
weer terug zijn op normale verwerkingssnelheid.
b. Hyperactiviteit na/op einde van een aanval
c. Dyslexie na aanval (= transient cognitieve stoornis). Voor de aanval is geen
cognitieve stoornis aanwezig. Tijdens de hypersynchrone hersenactiviteit ontstaat
een cognitieve stoornis die na een aanval weer verdwijnt. Voorbeelden zijn amnesie,
afasie etc.
Al deze effecten kunnen ervoor zorgen dat kinderen moeite hebben om mee te komen op school.
EEG-PO
Er kan onderzoek gedaan worden door cognitieve test, EEG en videobeeld te combineren. Dit is
alleen heel tijdrovend. Video kijkt of epileptische aanval zichtbaar is op het gezicht. Met EEG wordt
de hersenactiviteit gemeten.
Omdat niet alle aanvallen duidelijke aanvallen zijn, worden veel epileptische aanvallen niet
opgemerkt.
Kinderen met convulsieve aanvallen (vallen etc.) hebben een normaal IQ. Kinderen met niet-
convulsieve aanvallen hebben een lager IQ.
Verklaring hiervoor is dat convulsieve aanvallen snel worden opgemerkt en er na 1 of 2 aanvallen al
aan de bel worden getrokken. Niet-convulsieve aanvallen vallen niet op, waardoor er vaak
honderden aanvallen plaatsvinden voordat er aan de bel wordt getrokken.
Dit verschil in IQ kan hersteld worden door het tijdig goed te behandelen.
Volwassenen: functionele stoornissen
Niet-epileptische aanvallen: het fenomeen lijkt neurologisch, maar is het niet. Bijvoorbeeld
verlammingen of tremors zonder neurologische aantoonbaarheid. Dit wordt psychogeen genoemd.