dyspraxie.
Belangrijk!!
- Omissies = Weglatingen. Bijvoorbeeld tul i.p.v. stul. Volledige weglating van de doelklank.
- Substituties = Vervangingen. Bijv. jos i.p.v. ros.
- Distorties = Vervormingen. Bijvoorbeeld een interdentale s. Nauwelijks horen van de r.
- Additie = Een extra klank toevoegen. Melluk i.p.v. melk. Knwoop i.p.v. knoop.
- Reductie = Vermindering clustervorming wordt niet gemaakt bijvoorbeeld st word alleen de s.
- Voicing = Stemloos wordt stemhebbend, poes wordt bijv. boes. Stembandtrilling.
Strik; Kind zegt stik of tik = Reductie.
Strik; Kind zegt ik = omissie.
Ernstgradatie; O-S-D-A, dus omissie het ernstigst additie het minst ernstigst.
Syllaben: Lettergreep.
NAO: Nederlands Articulatie Onderzoek.
Sub = onder
Supra = boven
Farynx = keelholte
Larynx = strottenhoofd.
Consonanten = medeklinkers
Vocalen = Klinkers
,Hoorcollege 1.
Taal: systeem van conventionele (afgesproken) tekens waarmee de gebruikers van taal ideeën
kunnen communiceren.
Taalteken: waarneembare vorm met niet-waarneembare betekenis. Vorm die je gebruikt om jouw
taal te uiten. Vaak spraak maar kan ook via schrijven.
Spraak: vorm van het taalteken klankvormen. Alles wat je ziet.
Taal en spraak > binnenkant en buitenkant
1 t/m 3 (bedoelen; bedenken wat je wilt vertellen, formuleren; grammatica, spreken):
articulatorische fonetiek; binnenkant
4 (spraakgeluid): akoestische fonetiek; buitenkant
5 t/m 7 (horen, verstaan, begrijpen): auditieve fonetiek.; binnenkant
Voorwaarden voor communicatie:
Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot hetzelfde transmissiekanaal. Nummer 4 moet
hetzelfde zijn.
Spreker en luisteraar moeten toegang hebben tot dezelfde taalcode. Spraakgeluiden kunnen
herkennen als Nederlands.
De keten is zo sterk als de zwakste schakel!!
De spraakketen en het schema van Lévelt
, Taal-spraakproductiemodel
levelt.
1. Conceptualiseren:
kennis > preverbale
boodschap. Idee
van wat je wilt
vertellen. Aanpassen naar wat de luisteraar snapt.
2. Grammaticaal en fonologisch coderen (lexicon en fonologische invulling) Je kiest welke
woorden je gaat gebruiken. En in welke vorm je die woorden gaat gebruiken. Formulator.
3. Fonetisch plan: planning & programmering van de benodigde spierbewegingen voor de
spraak. Welke articulatoren heb ik nodig om de klanken van het woord uit te spreken.
4. Articuleren: het uitspreken
5. Monitoring: voortdurende kwaliteitscontrole, zelfcorrecties, soms voordat er gesproken is.
Systeem voor spraak verstaan.
6. Auditieve waarneming.
7. Decodering. Vanuit die verschillende klanken ga je verwerken wat is er gezegd. Bijvoorbeeld
is er het woord spin of spinnetje gebruikt?