Filosofie van de
managementwetenschappen
College 1 Plato en de grot......................................................................................................................2
College 2 Bentham en Utilisme..............................................................................................................4
College 3 Kant en de categorisch imperatief..........................................................................................6
College 4 Aristoteles en de deugdenleer...............................................................................................8
College 5 Descartes en zijn therapie....................................................................................................11
College 6 Thomas Kuhn (1922/1996)...................................................................................................14
College 7 Timothy Morton (1968)........................................................................................................16
Responsie College................................................................................................................................22
1|Page
,College 1 Plato en de grot
Aporie is een vraagstelling waar je niet goed uitkomt. Je kan de vraag niet uit analyseren want je
moet toch een beslissing nemen. Daarom zijn bijvoorbeeld veel van de vragen die de oude Grieken
hadden vragen zijn waar wij ook nog steeds mee bezig zijn.
Door het door en door analyseren gaat de filosofie
eigenlijk ook niet vooruit.
Plato is een erg bekend. De discussie die uitkomt
van zijn boek Plato en de grot is eigenlijk de vraag
wat is echt en wat is niet echt. De mensen die de
schaduw vasthebben worden ook wel sofisten
genoemd. Plato ziet ze als bedriegers. Hedendaags
zijn dit bijvoorbeeld de Wappies of de
complotdenkers.
De persoon die uit de grot is gekomen is Socrates.
Hij weet hoe het echt zit, er wordt dus een
onderscheid gemaakt tussen de mensen die het
wel echt weten en degene die het niet echt weten. Degene die je wel kan vertrouwen is degene uit
de grot. Deze zal de grot weer proberen in te gaan om de rest tegen de sofisten te beschermen.
Kijk het plaatje rechts voor foto/uitwerkingen
Hoe weten deze mensen dat deze persoon meer de waarheid spreken dan de sofisten? Dat is een
van de vragen die eruit komt.
In de filosofie worden vaak grotten gebruiken en zien ze mensen als troglofielen of troglodieten
(wezens die van holen en gaten houden of er hun heil zoeken)
Giorgio Agamben (1942) gaat over het volk. De demos is vanouds af aan het probleem.
Centrale ideeën in Plato’s allegorie
1. Er wordt gewerkt met een tegenstelling tussen een theoretische en ethische wereld
2. Om toegang te krijgen door de theoretische wereld moeten de bewoners uit de grot
klimmen
3. Wetenschap moet in de platonische traditie bevrijd worden van haar hang naar zintuigelijke
4. Wetenschap betekent dat je je bevrijdt uit de omgeving waar je zit
5. Wetenschap zou veel later echt empirisch worden
6. Er is een reuzenstrijd om de werkelijkheid.
7. Voor plato moet de wereld buiten de grot een normerende uitstraling hebben op de wereld
in de grot. De grotbewoners moet met andere woorden leren inzien dat diens wereld niet
klopt
8. Ze moeten begrijpen dat ze zich hebben laten beetnemen door sofisten
9. Voor degene die uit d egrot klimt is de gort een plaats van cynisme.
10. Maar hoe geloofwaardig is degene die uit de grot klimt?
Het kan dus ook zijn dat mensen gewoon in de grot willen blijven aangezien het hen wel goed
uitkomt
2|Page
, Eudamonia: niet onderzocht leven is het leven niet waard
Ethiek gaat over 3 punten
1. Wie doet het/intenties
2. Handeling zelf
3. Gevolgen van de handeling
3|Page
managementwetenschappen
College 1 Plato en de grot......................................................................................................................2
College 2 Bentham en Utilisme..............................................................................................................4
College 3 Kant en de categorisch imperatief..........................................................................................6
College 4 Aristoteles en de deugdenleer...............................................................................................8
College 5 Descartes en zijn therapie....................................................................................................11
College 6 Thomas Kuhn (1922/1996)...................................................................................................14
College 7 Timothy Morton (1968)........................................................................................................16
Responsie College................................................................................................................................22
1|Page
,College 1 Plato en de grot
Aporie is een vraagstelling waar je niet goed uitkomt. Je kan de vraag niet uit analyseren want je
moet toch een beslissing nemen. Daarom zijn bijvoorbeeld veel van de vragen die de oude Grieken
hadden vragen zijn waar wij ook nog steeds mee bezig zijn.
Door het door en door analyseren gaat de filosofie
eigenlijk ook niet vooruit.
Plato is een erg bekend. De discussie die uitkomt
van zijn boek Plato en de grot is eigenlijk de vraag
wat is echt en wat is niet echt. De mensen die de
schaduw vasthebben worden ook wel sofisten
genoemd. Plato ziet ze als bedriegers. Hedendaags
zijn dit bijvoorbeeld de Wappies of de
complotdenkers.
De persoon die uit de grot is gekomen is Socrates.
Hij weet hoe het echt zit, er wordt dus een
onderscheid gemaakt tussen de mensen die het
wel echt weten en degene die het niet echt weten. Degene die je wel kan vertrouwen is degene uit
de grot. Deze zal de grot weer proberen in te gaan om de rest tegen de sofisten te beschermen.
Kijk het plaatje rechts voor foto/uitwerkingen
Hoe weten deze mensen dat deze persoon meer de waarheid spreken dan de sofisten? Dat is een
van de vragen die eruit komt.
In de filosofie worden vaak grotten gebruiken en zien ze mensen als troglofielen of troglodieten
(wezens die van holen en gaten houden of er hun heil zoeken)
Giorgio Agamben (1942) gaat over het volk. De demos is vanouds af aan het probleem.
Centrale ideeën in Plato’s allegorie
1. Er wordt gewerkt met een tegenstelling tussen een theoretische en ethische wereld
2. Om toegang te krijgen door de theoretische wereld moeten de bewoners uit de grot
klimmen
3. Wetenschap moet in de platonische traditie bevrijd worden van haar hang naar zintuigelijke
4. Wetenschap betekent dat je je bevrijdt uit de omgeving waar je zit
5. Wetenschap zou veel later echt empirisch worden
6. Er is een reuzenstrijd om de werkelijkheid.
7. Voor plato moet de wereld buiten de grot een normerende uitstraling hebben op de wereld
in de grot. De grotbewoners moet met andere woorden leren inzien dat diens wereld niet
klopt
8. Ze moeten begrijpen dat ze zich hebben laten beetnemen door sofisten
9. Voor degene die uit d egrot klimt is de gort een plaats van cynisme.
10. Maar hoe geloofwaardig is degene die uit de grot klimt?
Het kan dus ook zijn dat mensen gewoon in de grot willen blijven aangezien het hen wel goed
uitkomt
2|Page
, Eudamonia: niet onderzocht leven is het leven niet waard
Ethiek gaat over 3 punten
1. Wie doet het/intenties
2. Handeling zelf
3. Gevolgen van de handeling
3|Page