Het effect van Voorlichting en Labeling in Supermarkten op Vermindering van de
Vetconsumptie
Naam: Ilse van Dam
Studentnummer: 851970554
Cursus: Onderzoekspracticum Experimenteel Onderzoek (PB0402)
Begeleider:
Examinator: dr. R. Pat El
Inleverdatum: 13/07/19
,Running head: VOORLICHTING EN LABELING IN SUPERMARKTEN 2
Samenvatting
In deze studie wordt onderzocht of het doen van voorlichtings- en/of labelingsinterventies in
combinaties met een van de twee types kleding een positief effect heeft op de vermindering
van de hoeveelheid vetconsumptie. Om deze vermindering in kaart te brengen is er een
voor- en nameting gedaan naar de hoeveelheid vetconsumptie. In totaal deden er 1307
respondenten mee aan het onderzoek, welke verdeeld waren over 12 supermarkten uit de
verschillende Nederlandse provincies. De supermarkten werden at random verdeeld in drie
condities, de ‘’voorlichtings- en labelingsinterventie’’, de ‘’voorlichtingsinterventie’’ en een
controleconditie. In de conditie ‘’voorlichtings- en labelingsinterventie werd er aan de
respondenten een voorlichting gegeven en daarnaast werd er ook nog een
omgevingsinterventie gedaan door het labelen van gezonde producten. In de conditie
‘’voorlichtingsinterventie’’ werd ook een voorlichting gegeven aan de respondenten, maar
verder geen interventie gedaan. En in de controlegroep werd geen interventie gedaan om zo
na te gaan of het eventueel beoogde effect groter was in de andere condities.
Uit het onderzoek bleek dat het type interventie geen significant effect had op de
hoeveelheid vetconsumptie, er was geen sprake van een significante vermindering. Het
beoogde verschil dat er zou moeten zijn tussen de voorlichting- en/of labelingsinterventie en
de controlgroep bleek ook niet aanwezig te zijn. Daarnaast kwam uit het analyseren van de
resultaten naar voren dat de respondenten een hogere geloofwaardigheid toekenden aan
een voorlichter in informele kleding dan aan een voorlichter in formele kleding. Als gevolg
daarvan was er een groter verschil in hoeveelheid vetconsumptie tussen de voor- en
nameting bij respondenten die voorlichting hadden gehad van een informeel geklede
voorlichter dan bij respondenten die voorlichting hadden gehad van een formeel geklede
voorlichter.
, Running head: VOORLICHTING EN LABELING IN SUPERMARKTEN 3
Een ongezond voedingspatroon heeft grote gevolgen voor de gezondheid
(Gezondheidsraad, 2006). Consumptie van vetrijk voedsel, dat rijk is aan verzadigde en
transvetzuren, wordt beschouwd als een risicofactor voor een aantal chronische ziekten
zoals cardiovasculaire ziekten, diabetes mellitus en obesitas (WCRF/AICR, 2007). Waarbij
obesitas de kans vergroot op zowel hartziekten en diabetes als op een aantal vormen van
kanker (slokdarm-, alvleesklier-, dikkedarm-, galblaas-, borst- (postmenopausaal),
baarmoeder- en nierkanker). Volwassenen met obesitas hebben 5-12 keer zoveel kans op
diabetes, en een 2-4 keer zo hoge kans op hartziekten en kanker (Hoeymans, Melse, &
Schoemaker, 2010).
Recent is geschat dat ongeveer 1 op de 7 van alle gevallen van hart- en vaatziekten in
Nederland toegeschreven kan worden aan overgewicht (van Dis, Kromhout, Geleijnse, Boer,
& Verschuren, 2009). Anderzijds is ontdekt dat een gematigde inname van verzadigd en
transvet het risico op bovengenoemde ziekten aanzienlijk kan verminderen. Zo zou volgens
een Cochrane review het risico op cardiovaculaire incidenten met 17% kunnen afnemen door
gedurende minimaal twee jaar de inname van verzadigde vestzuren te verminderen (Hooper,
Martin, Abdelhamid, & Davey Smith, 2015). Een recente review studie naar de effecten van
voorlichtingsinterventies gericht op voeding en beweging laat positieve resultaten zien op
cholesterol en bloeddruk (Rahmati-Najarkolaei, Ghaffarpasand, Gholami Fesharaki, &
Jonaidi-Jafari, 2015). Een investering in effectieve interventiestrategieën lijkt dus opportuun.
Het Attitude Sociale invloed Eigen-effectiviteitsverwachting-model (ASE-model) is de
laatste jaren in Nederland regelmatig gebruikt als basis voor de ontwikkeling van interventies
om gezond gedrag te bevorderen. Dit model stelt, dat gedrag verklaard wordt vanuit de
gedragsintentie: de mate waarin iemand van plan is om dat gedrag te vertonen. De intentie
op haar beurt wordt verklaard vanuit drie hoofddeterminanten: Attitude (de eigen
opvattingen; hoe positief staat iemand ten aanzien van het gedrag?), Sociale invloed (hoe
positief staat de omgeving ten aanzien van het gedrag?) en Eigen-effectiviteitsverwachting
(verwacht iemand het gedrag te kunnen vertonen?). Verondersteld wordt, dat gedrag
meestal niet direct veranderd kan worden; gedrag kan succesvoller veranderd worden door
haar determinanten te beïnvloeden. Uitgangspunt is, dat mensen pas de intentie zullen
hebben om bepaald gedrag te vertonen wanneer er voldoende determinanten zijn die positief
gerelateerd zijn aan dat gedrag, en dat een positieve intentie om het gedrag te vertonen
waarschijnlijk resulteert in werkelijke vertoning van dat gedrag. Het ASE-model heeft
empirisch veel ondersteuning gekregen (Fishbein & Ajzen, 2010; Kroeze, 2008; Lechner,
Kremers, Meertens, & De Vries, 2012).
Voor verandering van voedingsgedrag kunnen zowel voorlichting als
omgevingsinterventies worden ingezet (Lechner, Kremers, Meertens, & De Vries, 2012).
Gezondheidsvoorlichting richt zich op geplande leerervaringen om vrijwillige verandering van