Samenvatting I&M Sociologie jaar 1
Week 1
Belangrijke begrippen:
Interactie: mensen zijn op elkaar gericht en stemmen hun gedrag op elkaar af
Cultuur: mensen zijn door elkaar gevormd en wat mensen doen, denken en voelen is
sterk bepaald door wat zij van anderen geleerd hebben
Interdependentie: mensen zijn van elkaar afhankelijk en kunnen niet zonder anderen
leven
Referentiekader: het geheel van normen, waarden, overtuigingen en
vanzelfsprekendheden op grond waarvan iemand oordeelt en handelt
Role-taking: mensen verplaatsen zich in gedachte in de positie van anderen met wie
zij in contact komen
Selffulfilling prophecy: een onjuiste definitie van de situatie waardoor mensen zich
hiernaar gaan gedragen en de eerdere onjuiste definitie van de situatie tenslotte juist
wordt
Sociocentrisme: het beoordelen van andere bevolkingsgroepen naar de eigen
normen
Gedoogcultuur: cultuur waarin het overtreden van regels tot in zekere mate wordt
gedoogd; een cultuur die tolerant is t.o.v. burgerlijke ongehoorzaamheid
Interventietaboe: bemoei je niet met de keuzes van een ander
De 5 i’s:
1. Individualisering: het belang van het individu wordt steeds belangrijker dan de
belangen van het collectief (de samenleving)
2. Informalisering: de omgangsvormen tussen mensen worden informeler en flexibeler
3. Intensivering: veranderingen (in een bedrijf) waardoor de productiefactoren natuur,
arbeid en kapitaal beter gebruikt worden
4. Informatisering: het inzetten van middelen uit de informatie- en
communicatietechniek (ICT) voor het uitvoeren van processen
5. Internationalisering: men krijgt een steeds grotere oriëntatie op het buitenland
Verzorgingsstaat: een sociaal systeem waarin de staat de primaire verantwoordelijkheid
draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van gezondheidszorg, onderwijs,
werkgelegenheid en sociale zekerheid.
- Solidariteit staat bij een verzorgingsstaat centraal
Participatiesamenleving: een samenleving waarin de burger gestimuleerd wordt zelf
verantwoordelijkheid te nemen en geactiveerd wordt een bijdrage te leveren aan
maatschappelijke processen.
Microniveau = de directe sociale omgeving van een individu
Mesoniveau = de wijdere sociale omgeving (een school, bedrijf, kerkgenootschap, wijk etc.)
Macroniveau = de maatschappij als geheel
, Veranderingen in de maatschappij:
Vroeger Nu
Gemeenschap Individu
Wij-cultuur Ik-cultuur
Cohesie (samenhang) Verzameling van individuen
Solidariteit Eigenbelang
Sociale controle Interventietaboe
Plichten Rechten
Standenmaatschappij Prestatiemaatschappij
Sociale ongelijkheid Gelijke kansen
Positie en rol belangrijk Keuze individu belangrijk
Onvrijheid Vrijheid
Gezagsgetrouwheid Mondigheid
Afhankelijk van omgeving Afhankelijk van infrastructuur
Kostwinnersmodel Individueel model
Duidelijkheid Onduidelijkheid
Bevelshuishouding Onderhandelingshuishouden
Formalisering Informalisering
Culturele homogeniteit Culturele diversiteit
Week 2
Het dagelijks functioneren van patiënten kan in kaart worden gebracht aan de hand van de
International Classification of Functioning (ICF); een model dat de mens en zijn gezondheid
weergeeft vanuit de context waarin het individu zich verkeert.
ICF Domein Voorbeeld Gezondheidsproblee Voorbeeld
m
Niveau 1 Lichamelijke Ademhaling Stoornis Dyspneu
functies en
eigenschappen
Niveau 2 Activiteiten Lopen Beperking Hemiparese
Niveau 3 Maatschappelijk Relaties Participatieprobleem Eenzaamheid
e participatie
De problemen waarop verpleegkundige zorg zich richt, zijn onder te verdelen in lichamelijke,
psychische, functionele en sociale problemen;
Kernset patiëntproblemen Voorbeelden
Lichamelijke problemen Koorts, pijn, vermoeidheid, obstipatie
Psychische problemen Angst, rouw, geheugenstoornissen,
verslaving
Functionele problemen Zelfmanagementtekort, verstoorde
mobiliteit
Sociale problemen Seksuele problemen, eenzaamheid,
overbelaste mantelzorg
Week 1
Belangrijke begrippen:
Interactie: mensen zijn op elkaar gericht en stemmen hun gedrag op elkaar af
Cultuur: mensen zijn door elkaar gevormd en wat mensen doen, denken en voelen is
sterk bepaald door wat zij van anderen geleerd hebben
Interdependentie: mensen zijn van elkaar afhankelijk en kunnen niet zonder anderen
leven
Referentiekader: het geheel van normen, waarden, overtuigingen en
vanzelfsprekendheden op grond waarvan iemand oordeelt en handelt
Role-taking: mensen verplaatsen zich in gedachte in de positie van anderen met wie
zij in contact komen
Selffulfilling prophecy: een onjuiste definitie van de situatie waardoor mensen zich
hiernaar gaan gedragen en de eerdere onjuiste definitie van de situatie tenslotte juist
wordt
Sociocentrisme: het beoordelen van andere bevolkingsgroepen naar de eigen
normen
Gedoogcultuur: cultuur waarin het overtreden van regels tot in zekere mate wordt
gedoogd; een cultuur die tolerant is t.o.v. burgerlijke ongehoorzaamheid
Interventietaboe: bemoei je niet met de keuzes van een ander
De 5 i’s:
1. Individualisering: het belang van het individu wordt steeds belangrijker dan de
belangen van het collectief (de samenleving)
2. Informalisering: de omgangsvormen tussen mensen worden informeler en flexibeler
3. Intensivering: veranderingen (in een bedrijf) waardoor de productiefactoren natuur,
arbeid en kapitaal beter gebruikt worden
4. Informatisering: het inzetten van middelen uit de informatie- en
communicatietechniek (ICT) voor het uitvoeren van processen
5. Internationalisering: men krijgt een steeds grotere oriëntatie op het buitenland
Verzorgingsstaat: een sociaal systeem waarin de staat de primaire verantwoordelijkheid
draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van gezondheidszorg, onderwijs,
werkgelegenheid en sociale zekerheid.
- Solidariteit staat bij een verzorgingsstaat centraal
Participatiesamenleving: een samenleving waarin de burger gestimuleerd wordt zelf
verantwoordelijkheid te nemen en geactiveerd wordt een bijdrage te leveren aan
maatschappelijke processen.
Microniveau = de directe sociale omgeving van een individu
Mesoniveau = de wijdere sociale omgeving (een school, bedrijf, kerkgenootschap, wijk etc.)
Macroniveau = de maatschappij als geheel
, Veranderingen in de maatschappij:
Vroeger Nu
Gemeenschap Individu
Wij-cultuur Ik-cultuur
Cohesie (samenhang) Verzameling van individuen
Solidariteit Eigenbelang
Sociale controle Interventietaboe
Plichten Rechten
Standenmaatschappij Prestatiemaatschappij
Sociale ongelijkheid Gelijke kansen
Positie en rol belangrijk Keuze individu belangrijk
Onvrijheid Vrijheid
Gezagsgetrouwheid Mondigheid
Afhankelijk van omgeving Afhankelijk van infrastructuur
Kostwinnersmodel Individueel model
Duidelijkheid Onduidelijkheid
Bevelshuishouding Onderhandelingshuishouden
Formalisering Informalisering
Culturele homogeniteit Culturele diversiteit
Week 2
Het dagelijks functioneren van patiënten kan in kaart worden gebracht aan de hand van de
International Classification of Functioning (ICF); een model dat de mens en zijn gezondheid
weergeeft vanuit de context waarin het individu zich verkeert.
ICF Domein Voorbeeld Gezondheidsproblee Voorbeeld
m
Niveau 1 Lichamelijke Ademhaling Stoornis Dyspneu
functies en
eigenschappen
Niveau 2 Activiteiten Lopen Beperking Hemiparese
Niveau 3 Maatschappelijk Relaties Participatieprobleem Eenzaamheid
e participatie
De problemen waarop verpleegkundige zorg zich richt, zijn onder te verdelen in lichamelijke,
psychische, functionele en sociale problemen;
Kernset patiëntproblemen Voorbeelden
Lichamelijke problemen Koorts, pijn, vermoeidheid, obstipatie
Psychische problemen Angst, rouw, geheugenstoornissen,
verslaving
Functionele problemen Zelfmanagementtekort, verstoorde
mobiliteit
Sociale problemen Seksuele problemen, eenzaamheid,
overbelaste mantelzorg