Psychiatrie een inleiding
Hoofdstuk 6
6.2 DISSOCIATIEVE STOORNISSEN
Dissociatieve stoornis = stoornis die zich kenmerkt door een uiteenvallen, ofwel
dissociatie, van identiteit, geheugen of bewustzijn.
- Dissociatieve identiteitsstoornis
- Dissociatieve amnesie
- Depersonalisatie-/derealisatiestoornis
Dissociatie = normale en integratie van perceptie, bewustzijn, geheugen en identiteit wordt
verstoord. Kan onderscheid gemaakt worden tussen normale en pathologische dissociatie (=
kan symptoom zijn van verschillende stoornissen)
Nagebootste stoornissen = opzettelijk creëren van lichamelijke of psychische symptomen of
ziekten. Kunnen zichzelf of anderen opzettelijk ziek maken.
Dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) = Bestaan van twee of meer aparte
persoonlijkheden
o Verschillende alters strijden om de macht
o Verschillende alters hebben verschillende lichamelijke kenmerken
o Alternatieve persoonlijkheden hebben verschillende leeftijden, sekse,
interesses en omgangsgewoonten.
Dissociatieve amnesie = niet in staat om zich belangrijke persoonlijke informatie te
herinneren zonder dat daar een medische oorzaak voor is
o Verloren informatie gaat gewoonlijk over traumatische of stressvolle
gebeurtenissen
o Ondervormen zijn onder meer gelokaliseerde amnesie, selectieve amnesie
en algehele amnesie.
Bevat vijf verschillende vormen van geheugenproblemen:
Gelokaliseerde amnesie. Gebeurtenissen uit een specifieke periode verdwijnen uit
een geheugen. Voorbeeld: niets kunnen herinneren uren, dagen na een stressvolle of
traumatische gebeurtenis.
Selectieve amnesie. Vergeet alleen de verontrustende dingen die in bepaalde
periode plaatsvonden.
Algehele amnesie. Vergeet zijn hele leven: wie hij is, werk, woning, met wie die
woont. Geen enkele persoonlijke herinnering herinneren.
Voortdurende amnesie. Vergeet alles wat er vanaf een specifiek punt in de tijd is
gebeurd.
Gesystematiseerde amnesie. Geheugenverlies beperkt zich tot bepaalde categorie
van informatie.
Simuleren = voorwenden van symptomen voor persoonlijk gewin. Voorbeeld: criminele
handelingen vergeten of beloften.
Dissociatieve fugue = iemand vlucht plotseling weg, reist naar nieuwe locatie en kan zich
geen persoonlijke informatie herinneren, of geeft zonder dat iemand dat merkt valse
informatie over zijn verleden
o Kan verward zijn over identiteit of een nieuwe identiteit aannemen
o Nieuw gezin stichten of een nieuw bedrijf
, Depersonalisatiestoornis = episodes waarin de betrokkene zich losgekoppeld voelt van het
eigen lichaam of een gevoel van onwerkelijkheid ervaart over de omgeving
o Kan gevoel hebben dat hij in droom leeft of als robot handelt
o Episodes van depersonalisatie zijn aanhoudend of terugkerend en
veroorzaken significante stress
o Gevoel buiten zichzelf te staan en zichzelf te observeren
o Kan de werkelijkheid van de onwerkelijkheid onderscheiden.
Depersonalisatie = gevoelens van onwerkelijkheid over zichzelf of het eigen lichaam, of
daarvan losgekoppeld te zijn.
Derealisatie = gevoel van onwerkelijkheid over de omgeving.
Sociale en omgevingsfactoren: seksueel misbruik of mishandeling, traumatische ervaringen
(oorlog)
Gedragsmatige factoren: bekrachtiging voor het spelen van de sociale rol van multipele
identiteiten
Emotionele en cognitieve factoren: verlichting van angst door afstand te nemen van
verontrustende emoties of herinneringen
Therapeutische behandelingen: amnesie en fugue lossen vanzelf op, stoornis is moeilijk te
behandelen.
Psychotherapie: psychoanalytische therapie kan helpen bij de re-integratie van de
persoonlijkheid.
Cultuurgebonden dissociatieve syndromen:
Depersonalisatie-ervaringen komt vaker voor in individualistische culturen.
Amok (Zuidoost-Azië) = plotselinge, tranceachtige toestand waarin iemand andere
mensen aanvalt of voorwerpen kapotmaakt.
Zar (Midden-Oosten) = bezetenheid van geesten.
Theorieën dissociatieve stoornissen:
Psychodynamische theorie = gevolg van massieve verdringing waardoor onacceptabele
impulsen en pijnlijke herinneringen van het bewustzijn worden afgesneden.
o Dissociatieve amnesie: iemands bewustzijn wordt losgekoppelt van de
herinnering. Beschermt het ego zichzelf tegen angst en verontrustende
herinneringen.
o Dissociatieve identiteitsstoornis: betrokkene ontwikkelt alters via welke
deze onacceptabele impulsen toch naar buiten komen.
o Depersonalisatie: betrokkene staat buiten zichzelf.
Sociaal-cognitieve theorie = amnesie en fugue is als een aangeleerde respons. Kan ook
worden gezien als een vorm van een rollenspel.
Biologische factoren = eventueel verband tussen dissociatief gedrag en stoornis in de
hersenen (hersengebieden van geheugen en emotie). Verschillen in metabolische activiteit
verklaring waarom mensen met depersonalisatiestoornis het gevoel hebben dat ze
losgekoppeld zijn. Verstoring in slaap kan leiden tot droomachtige onderbrekingen die leiden
tot dissociatieve ervaringen.
Diathese-stressmodel = bepaalde karaktertrekken bepalen iemands vatbaarheid voor
dissociatieve ervaringen als hij/zij met trauma wordt geconfronteerd.
o Fantaseren, hypnotiseerbaarheid, openstaan voor alternatieve
bewustzijntoestanden.