Oefenvragen deeltentamen 2
Vraag 1
Er wordt nog altijd een verhitte discussie gevoerd over de vraag of je kunt spreken van
een ‘voedselverslaving’. Onderbouw jouw standpunt met 2 wetenschappelijke studies die
bewijs leveren voor gemeenschappelijke onderliggende neurobiologische/psychologische
mechanismen in middelenmisbruik en obesitas. [2 punten]
Vraag 2
Je wilt de slechte gewoonte om chocolade te snoepen voor de televisie onderzoeken met
de primed Lexicale Decisietaak (LDT). Wat zou je in dit voorbeeld invullen als ‘prime’ en
als target ‘woord’? Welk resultaat zou ondersteuning leveren voor een sterke gewoonte?
[2 punten]
Vraag 3
Het onderzoek van Wang en collega’s (2001) laat zien dat mensen met obesitas en
mensen zonder obesitas verschillen in de beschikbaarheid van striatale D2
dopaminereceptoren (D2R). Welk van de onderstaande uitspraken is juist?
a) Een hogere BMI is gerelateerd aan verhoogde D2R beschikbaarheid. Volgens
de reward deficiency hypothese hebben mensen met obesitas door de
verhoogde D2R dichtheid een hogere beloningsgevoeligheid, waardoor zij
meer/calorierijk voedsel gaan eten.
b) Een hogere BMI is gerelateerd aan een verhoogde D2R beschikbaarheid.
Volgens de reward deficiency hypothese hebben mensen met obesitas door de
verhoogde D2R dichtheid een lagere beloningsgevoeligheid.
c) Deen hogere BMI is gerelateerd aan een verlaagde D2R beschikbaarheid.
Volgens de reward deficiency hypothese hebben mensen met obesitas door de
verlaagde D2R dichtheid een lagere beloningsgevoeligheid, waardoor zij meer
of calorierijker voedsel gaan eten.
Vraag 4
Welke uitspraak over eetbuistoornis is juist?
a) Iemand met anorexia nervosa heeft geen eetbuien.
b) Iemand met boulimia nervosa braakt altijd na een eetbui.
c) Eetbuistoornis wordt bij voorkeur in gemengde groepen met andere
eetstoornissen behandeld.
d) Ratten die intermittent sucrosetoegang krijgen gaan bingen.
Vraag 5
Welk medicatie is tegenwoordig de eerste keuze in de behandeling van OCS?
a) Dopamine (DA) agonisten.
b) Dopamine (DA) antagonisten.
c) Tricyclische antidepressiva (TCA’s).
d) Selectieve serotonine heropname inhibitors (SSRI’s).
, Vraag 6
Leg uit hoe cognitieve dissonantie ervoor zou kunnen zorgen dat obsessies een gevolg
van compulsies zijn, in plaats van andersom.
Vraag 7
Wat houdt een transdiagnostisch perspectief op compulsiviteit in?
Vraag 8
In welke condities is het respons-inhibitie vermogen laag ten opzichte van gezonde
controles?
a) Alleen bij anorexia nervosa.
b) Alleen bij middelenmisbruik.
c) Alleen bij dwangstoornissen.
d) Bij alle condities die hier genoemd worden.
Vraag 9
Welk hersengebied laat hyperactiviteit zien in zowel anorexia als in OCD?
a) Nucleus accumbens.
b) Nucleus caudatus.
c) Posterieure putamen.
d) Dorsolaterale prefrontale cortex.
Antwoord 1
Hetzelfde beloningssysteem wordt actief bij blootstelling aan relevante stimuli: meer
nucleus accumbens activatie in fMRI onderzoek bij voedselplaatjes bij mensen et
obesitas dan in gezonde controles, net als bij drugsplaatjes in mensen met
middelenmisbruik.
Antwoord 2
Televisie als de prime, en chocolade als de target. Het idee is dat je met deze taak de
cognitieve toegankelijkheid van het targetwoord meet. De stimulus van televisie
activeert het gedrag van chocolade eten. Een snelle reactie als chocolade als een
bestaand woord ondersteunt het idee van een sterke gewoonte.
Antwoord 3
C is het juiste antwoord.
Antwoord 4
D is het juiste antwoord.
Antwoord 5
D is het juiste antwoord.
Antwoord 6
Sterke compulsies worden post-hoc gerationaliseerd door een bepaald doel. De
gedachten komt pas in de tweede plaats.