Vpb
HC 2
Hoofdlijnen (1)
- Vrijgestelde voordelen art. 13-1 Wet Vpb 1969.
- Algebraisch begrip.
- Dus ook waardedalingen / verliezen niet aftrekbaar.
- Uitzondering art. 13d Wet Vpb 1969.
- Deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing op verlies na ontbinding.
- Dus aftrekbaar!
- Situatie vóór art. 13d.
- Besluit Vpb 1942: deelnemingsvrijstelling gold alleen voor dividenden.
- Waardestijgingen waren belast (maar feitelijk niet door allerlei trucjes).
- Waardedalingen aftrekbaar.
Wat doet de liquidatie verliesregeling? De basis is dat vrijgestelde voordelen in 13 lid 1 een
algebraïsch begrip is. Dus positieve voordelen zijn vrijgesteld, maar ook negatieve voordelen,
dus niet aftrekbaar. Dus ook waardedalingen/verliezen op deelnemingen zijn niet aftrekbaar
onder de dnv. Dit is een nadeel van de dnv, want bij een verlies leidt de dnv tot niet
aftrekbaarheid.
De uitzondering hierop is art. 13d: de liquidatie verliesregeling. Die zegt in lid 1 dat de dnv
vindt geen toepassing op een verlies na ontbinding van een deelneming. Dus dan is het
verlies dus wel aftrekbaar.
Waarom was de liquidatieverlies regeling nodig? Terug naar situatie voor art. 13d. Toen gold
de dnv alleen voor dividenden. Dus als je een div kreeg van een dochter, dan was dat
vrijgesteld. Als je een verkoopwinst of verlies maakte, dan was dat belast/aftrekbaar. Maar
toen waren er al allerlei trucjes om te voorkomen dat je over waardestijgingen werd belast.
In feite was het zo dat dividenden belastingvrij konden worden genoten, en ook
waardestijgingen konden belastingvrij worden genoten. En waardedalingen konden altijd
worden afgetrokken.
Hoofdlijnen (2)
- Uitbreiding deelnemingsvrijstelling in Wet Vpb 1969 tot waardestijgingen was dus vaak
eigenlijk geen voordeel.
- Uitbreiding deelnemingsvrijstelling tot waardedalingen werd als erg belemmerend ervaren.
- Daarom art. 13d als “doekje voor het bloeden”.
- Grondslag voor art. 13d volgens MvT:
- Ne bis in idem ook voor verliezen.
- Verliezen van geliquideerde dochter gaan verloren bij einde rechtspersoon.
- Dan is het redelijk deze bij de aandeelhouder in aanmerking te kunnen nemen.
- Lijkt wat op het “altijd ergens” beginsel uit de rechtspraak HvJ EU.
Toen de dnv in 1969 werd uitgebreid tot waardestijgingen, vonden mensen dat dus niet zo
erg, want die waardestijging betaalde ze toch al nooit belastingheffing over. Wat wel pijn
deed, was de uitbreiding van de dnv tot waardedalingen, want die konden ze voorheen altijd
, aftrekken. Als je een verlies leed op een investering, dan had je een aftrekbaar verlies, maar
vanaf 1969 niet meer.
Wat was de grondslag voor art. 13d volgens de MvT? Ne bis in idem: je moet niet hem niet
alleen voor winsten hebben, maar ook voor verliezen. Als een winst bij een dochter al een
keer belast is geweest, moet hij niet later nog een keer bij de moeder worden belast. Eén
keer belastingheffing is voldoende. Ditzelfde zou ook moeten gelden voor verliezen volgens
de MvT. Dus verliezen die je bij de dochter niet kunt benutten en die je uiteindelijk bij
liquidatie verloren gaan, die verliezen van de dochter moet je dan bij de moeder kunnen
benutten. Verliezen moet je dus ook één keer in aanmerking kunnen nemen.
De grondslag is dat de verliezen van de dochter verloren gaan en daarvoor moet je
compensatie krijgen bij de moeder. De uitwerking/vormgeving is uiteindelijk een hele
andere. De vormgeving is dat je niet de verliezen van de dochter overhevelt naar de moeder,
maar dat je kijkt hoeveel verlies de moeder op de investering heeft geleden. Er zit dus een
verschil tussen de doelstelling van de regeling en de vormgeving ervan.
De mismatch tussen grondslag en vormgeving
- Grondslag: tenietgaan van verliezen dochter moet worden gecompenseerd.
- Vormgeving: verlies dat moeder lijdt op investering is aftrekbaar.
- Aansluiten bij verliezen dochter werd niet werkbaar geacht.
- Anders in huidige sterk geautomatiseerde tijdperk?
- Wanneer verschillen tussen verliezen dochter en verlies van moeder?
- Binnenlandse verhoudingen:
- Totaalwinstafwijkingen.
- Aftrekbeperkingen.
- Objectieve vrijstellingen.
- Etc. etc.
Waarom deden ze dit? Aansluiten bij de verliezen van de dochter werd veel te ingewikkeld
geacht. Tegenwoordig zou dit misschien wel kunnen, maar de regeling luidt nog steeds dat
we het verlies op de investering aftrekken en niet de verliezen van de dochter omhoog
hevelen. Wanneer verschillen deze van elkaar? Wanneer is het verlies van de dochter niet
gelijk aan het verlies wat de moeder op de investering leidt? In binnenlandse verhoudingen
zijn dit bijvoorbeeld totaalwinstafwijkingen, aftrekbeperkingen, objectieve vrijstellingen. Je
kunt hier dus af en toe mee plannen, maar ook flink de fout mee in gaan.
HC 2
Hoofdlijnen (1)
- Vrijgestelde voordelen art. 13-1 Wet Vpb 1969.
- Algebraisch begrip.
- Dus ook waardedalingen / verliezen niet aftrekbaar.
- Uitzondering art. 13d Wet Vpb 1969.
- Deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing op verlies na ontbinding.
- Dus aftrekbaar!
- Situatie vóór art. 13d.
- Besluit Vpb 1942: deelnemingsvrijstelling gold alleen voor dividenden.
- Waardestijgingen waren belast (maar feitelijk niet door allerlei trucjes).
- Waardedalingen aftrekbaar.
Wat doet de liquidatie verliesregeling? De basis is dat vrijgestelde voordelen in 13 lid 1 een
algebraïsch begrip is. Dus positieve voordelen zijn vrijgesteld, maar ook negatieve voordelen,
dus niet aftrekbaar. Dus ook waardedalingen/verliezen op deelnemingen zijn niet aftrekbaar
onder de dnv. Dit is een nadeel van de dnv, want bij een verlies leidt de dnv tot niet
aftrekbaarheid.
De uitzondering hierop is art. 13d: de liquidatie verliesregeling. Die zegt in lid 1 dat de dnv
vindt geen toepassing op een verlies na ontbinding van een deelneming. Dus dan is het
verlies dus wel aftrekbaar.
Waarom was de liquidatieverlies regeling nodig? Terug naar situatie voor art. 13d. Toen gold
de dnv alleen voor dividenden. Dus als je een div kreeg van een dochter, dan was dat
vrijgesteld. Als je een verkoopwinst of verlies maakte, dan was dat belast/aftrekbaar. Maar
toen waren er al allerlei trucjes om te voorkomen dat je over waardestijgingen werd belast.
In feite was het zo dat dividenden belastingvrij konden worden genoten, en ook
waardestijgingen konden belastingvrij worden genoten. En waardedalingen konden altijd
worden afgetrokken.
Hoofdlijnen (2)
- Uitbreiding deelnemingsvrijstelling in Wet Vpb 1969 tot waardestijgingen was dus vaak
eigenlijk geen voordeel.
- Uitbreiding deelnemingsvrijstelling tot waardedalingen werd als erg belemmerend ervaren.
- Daarom art. 13d als “doekje voor het bloeden”.
- Grondslag voor art. 13d volgens MvT:
- Ne bis in idem ook voor verliezen.
- Verliezen van geliquideerde dochter gaan verloren bij einde rechtspersoon.
- Dan is het redelijk deze bij de aandeelhouder in aanmerking te kunnen nemen.
- Lijkt wat op het “altijd ergens” beginsel uit de rechtspraak HvJ EU.
Toen de dnv in 1969 werd uitgebreid tot waardestijgingen, vonden mensen dat dus niet zo
erg, want die waardestijging betaalde ze toch al nooit belastingheffing over. Wat wel pijn
deed, was de uitbreiding van de dnv tot waardedalingen, want die konden ze voorheen altijd
, aftrekken. Als je een verlies leed op een investering, dan had je een aftrekbaar verlies, maar
vanaf 1969 niet meer.
Wat was de grondslag voor art. 13d volgens de MvT? Ne bis in idem: je moet niet hem niet
alleen voor winsten hebben, maar ook voor verliezen. Als een winst bij een dochter al een
keer belast is geweest, moet hij niet later nog een keer bij de moeder worden belast. Eén
keer belastingheffing is voldoende. Ditzelfde zou ook moeten gelden voor verliezen volgens
de MvT. Dus verliezen die je bij de dochter niet kunt benutten en die je uiteindelijk bij
liquidatie verloren gaan, die verliezen van de dochter moet je dan bij de moeder kunnen
benutten. Verliezen moet je dus ook één keer in aanmerking kunnen nemen.
De grondslag is dat de verliezen van de dochter verloren gaan en daarvoor moet je
compensatie krijgen bij de moeder. De uitwerking/vormgeving is uiteindelijk een hele
andere. De vormgeving is dat je niet de verliezen van de dochter overhevelt naar de moeder,
maar dat je kijkt hoeveel verlies de moeder op de investering heeft geleden. Er zit dus een
verschil tussen de doelstelling van de regeling en de vormgeving ervan.
De mismatch tussen grondslag en vormgeving
- Grondslag: tenietgaan van verliezen dochter moet worden gecompenseerd.
- Vormgeving: verlies dat moeder lijdt op investering is aftrekbaar.
- Aansluiten bij verliezen dochter werd niet werkbaar geacht.
- Anders in huidige sterk geautomatiseerde tijdperk?
- Wanneer verschillen tussen verliezen dochter en verlies van moeder?
- Binnenlandse verhoudingen:
- Totaalwinstafwijkingen.
- Aftrekbeperkingen.
- Objectieve vrijstellingen.
- Etc. etc.
Waarom deden ze dit? Aansluiten bij de verliezen van de dochter werd veel te ingewikkeld
geacht. Tegenwoordig zou dit misschien wel kunnen, maar de regeling luidt nog steeds dat
we het verlies op de investering aftrekken en niet de verliezen van de dochter omhoog
hevelen. Wanneer verschillen deze van elkaar? Wanneer is het verlies van de dochter niet
gelijk aan het verlies wat de moeder op de investering leidt? In binnenlandse verhoudingen
zijn dit bijvoorbeeld totaalwinstafwijkingen, aftrekbeperkingen, objectieve vrijstellingen. Je
kunt hier dus af en toe mee plannen, maar ook flink de fout mee in gaan.