Je maakt je eigen observatie criteria per onderdeel. Bij de toets moet je goed
omschrijven wat je ziet en wat er dus gebeurd, door middel van je eigen
observatiecriteria. Deze criteria kan je wel baseren op de observatieformulieren die bij
sommige onderdelen gegeven zijn.
Een motorisch programma is een specifieke beweging. Het gooien is een verzameling van
verschillende worpen en dus verschillende motorische programma.
, ALGEMEEN
EERSTE DRIEHOEK
Persoon: Leeftijd, bouw van de persoon, blote voeten?, vrouw/man, sportkleding of
niet?,
Omgeving: Accommodatie, constraints (inperkingen), wat je aan de omgeving ziet en
wat je relevant lijkt. Ook de belichting speelt mee. mat of vloer?
Taak: taak gehaald? Letterlijk taakeisen omschrijven wat de leraar gegeven heeft.
KLASSIFICEREN MOTORIEK
Grote/grove motoriek:
Kleine/fijne motoriek:
Niet locomotorisch: stil staan.
Locomotorisch: bewegen.
Manipulatief: je zet iets anders in beweging. Bijvoorbeeld stuiteren met een bal
Ballistisch: Korte, snelle beweging.
Discreet: een vaardigheid is met een duidelijk begin en einde
Serieel: een aantal discrete vaardigheden achter elkaar
Continu: Een vaardigheid met geen of een nauwelijks einde. Het is het telkens herhalen
van een discrete vaardigheid.
Open taak: De omgeving beweegt en heeft invloed op de vaardigheden
Externally paced: Iets buiten jezelf bepaalt je timing.
Gesloten taak: De omgeving staat stil (stationair) en heeft dus geen invloed op de
vaardigheden.
Self paced: Je bepaalt zelf je eigen timing.
Motorisch: is iets wat automatisch gaat en waar niet echt bij nagedacht hoeft worden.
Cognitief: moet veel bij nagedacht worden.
TWEEDE DRIEHOEK
Constraints: Wat zijn de beperkingen van de persoon zelf. NIET VAN DE OMGEVING!!
- Externe constraints? Dan mag je wel over de omgeving praten
Strategie: welk motorprogramma wordt er gebruikt om deze taakeis uit te voeren.
Proces: benoemen op welke taak van het model van schmidt de meeste nadruk ligt.
MODEL VAN SCHMIDT
Stimulus identificatie: Registreren dat er een actie moet komen; signalen opvangen.
Respons selectie: Je gaat kijken welke motor programma’s er nodig zijn; reageert op
stimuli.
Respons programmering: een stappenplan uitwerken om je beweging te doen. Wat ga
ik eerst doen en wat daarna. Het programmeren wat je gaat doen.