Hoofdstuk 1 – Wat is sociologie?
Leerdoelen
1. De student omschrijft het begrip sociologie en weet wat sociologisch perspectief en
sociologische verbeeldingskracht inhoudt.
2. De student heeft inzicht in de processen van modernisering en rationalisering.
3. De student heeft inzicht in belangrijke sociologische theorieën van Durkheim, Marx, Weber
en Tonnies.
Wat is sociologie?
Sociologie is de wetenschap over groepsgedrag van mensen, observeren van gedrag van meerdere
mensen. Een mens kan zijn eigen keuzes maken, maar de maatschappij en de opvoeding vormen je
het meeste. Deze geven je normen en waarden mee (het systematisch onderzoek van de menselijke
samenleving).
Onderzoek van Durkheim
Mannen doen vaker aan zelfdoding.
o Dit komt omdat mannen meer keuzes hebben in het leven dan vrouwen waardoor
mannen vaker eenzamer zijn.
o Vrouwen zijn beperkter, maar zitten vaker in sterke sociale kringen.
De mate van sociale integratie bepaald zelfdoding.
Hoe ontstaan problemen bij mensen?
Externaliseren: probleem ontstaat door te doen van buitenaf (sociale omgeving).
Zoeken naar oorzaken van een probleem buiten de persoon.
Depolitiseren: eigen schuld, dikke bult.
(denk aan werkloosheid).
Sociologische verbeeldingskracht is het vermogen om brede maatschappelijke ontwikkeling in
verband te brengen met de individuele ervarings- en belevingswereld.
Industriële revolutie
Kleine traditionele gemeenschappen verdwijnen, mensen trekken naar de onpersoonlijke
stad.
Individuele keuzemogelijkheid
Grote sociale diversiteit
Oriëntatie op toekomst en tijdbewustzijn.
Gemeinschaft
o Groepsbelang
o Positie in de groep
o Traditie en groep in ere houden
o Saamhorigheid
o Schaamte (eer)
o Mechanische solidariteit (gedeelde waarden): traditionele samenleving – gevoelens en
affectieve bindingen vooral kleine gemeenschappen.
Gesellschaft
o Individuele vrijheid
o Gelijkheid
o Persoonlijke ontplooiing, persoonlijke mening en verantwoordelijkheid
o Eigen belang
o Schuld
o Organische solidariteit (steun uit eigen belang): moderne samenleving – gevoelens en
affectieve bindingen met grote sociale eenheden.
, Gevaren moderne samenleving
Tönnies: industrialisering, urbanisatie en commercialisering leiden tot verzwakking affectieve
bindingen.
Durkheim: gevaar voor anomie: samenleving biedt het individu weinig collectieve waarden en
gedeelde normen.
Rationalisering
Weber: zorgen om de samenleving, alles wordt rationeel ingedeeld.
In de economie: productieproces
Politiek en bestuur: bureaucratische organisaties en rechtsstelsels
Onderwijs: wetenschappelijke kennis
Religie: onttoveren van de wereld
Sociale ongelijkheid
Karl Marx bekritiseert de kapitalistische verhoudingen (bourgeoisie en proletariaat).
Moderne samenleving is een klassensamenleving waar macht en uitbuiting de dienst uitmaken.
Sociale conflicten onvermijdelijk.
Drie hoofdkwesties van de sociologie:
1. Sociale ongelijkheid
2. Sociale wanorde
3. Proces van modernisering (rationalisering)
Leerdoelen
1. De student omschrijft het begrip sociologie en weet wat sociologisch perspectief en
sociologische verbeeldingskracht inhoudt.
2. De student heeft inzicht in de processen van modernisering en rationalisering.
3. De student heeft inzicht in belangrijke sociologische theorieën van Durkheim, Marx, Weber
en Tonnies.
Wat is sociologie?
Sociologie is de wetenschap over groepsgedrag van mensen, observeren van gedrag van meerdere
mensen. Een mens kan zijn eigen keuzes maken, maar de maatschappij en de opvoeding vormen je
het meeste. Deze geven je normen en waarden mee (het systematisch onderzoek van de menselijke
samenleving).
Onderzoek van Durkheim
Mannen doen vaker aan zelfdoding.
o Dit komt omdat mannen meer keuzes hebben in het leven dan vrouwen waardoor
mannen vaker eenzamer zijn.
o Vrouwen zijn beperkter, maar zitten vaker in sterke sociale kringen.
De mate van sociale integratie bepaald zelfdoding.
Hoe ontstaan problemen bij mensen?
Externaliseren: probleem ontstaat door te doen van buitenaf (sociale omgeving).
Zoeken naar oorzaken van een probleem buiten de persoon.
Depolitiseren: eigen schuld, dikke bult.
(denk aan werkloosheid).
Sociologische verbeeldingskracht is het vermogen om brede maatschappelijke ontwikkeling in
verband te brengen met de individuele ervarings- en belevingswereld.
Industriële revolutie
Kleine traditionele gemeenschappen verdwijnen, mensen trekken naar de onpersoonlijke
stad.
Individuele keuzemogelijkheid
Grote sociale diversiteit
Oriëntatie op toekomst en tijdbewustzijn.
Gemeinschaft
o Groepsbelang
o Positie in de groep
o Traditie en groep in ere houden
o Saamhorigheid
o Schaamte (eer)
o Mechanische solidariteit (gedeelde waarden): traditionele samenleving – gevoelens en
affectieve bindingen vooral kleine gemeenschappen.
Gesellschaft
o Individuele vrijheid
o Gelijkheid
o Persoonlijke ontplooiing, persoonlijke mening en verantwoordelijkheid
o Eigen belang
o Schuld
o Organische solidariteit (steun uit eigen belang): moderne samenleving – gevoelens en
affectieve bindingen met grote sociale eenheden.
, Gevaren moderne samenleving
Tönnies: industrialisering, urbanisatie en commercialisering leiden tot verzwakking affectieve
bindingen.
Durkheim: gevaar voor anomie: samenleving biedt het individu weinig collectieve waarden en
gedeelde normen.
Rationalisering
Weber: zorgen om de samenleving, alles wordt rationeel ingedeeld.
In de economie: productieproces
Politiek en bestuur: bureaucratische organisaties en rechtsstelsels
Onderwijs: wetenschappelijke kennis
Religie: onttoveren van de wereld
Sociale ongelijkheid
Karl Marx bekritiseert de kapitalistische verhoudingen (bourgeoisie en proletariaat).
Moderne samenleving is een klassensamenleving waar macht en uitbuiting de dienst uitmaken.
Sociale conflicten onvermijdelijk.
Drie hoofdkwesties van de sociologie:
1. Sociale ongelijkheid
2. Sociale wanorde
3. Proces van modernisering (rationalisering)