TIJDVAK 1 - JAGERS EN DE BOEREN
Archeologie: Wetenschap die het verleden Ritueel: Plechtige handeling
bestudeert aan de hand van ongeschreven Sedentaire leefwijze: Leven op een vaste
bronnen woonplaats
Cultuur: Denken en doen van een groep mensen Slaaf: Iemand het bezit is van een ander
Kunst: Creatieve uiting Sociaal: Heeft te maken met mensen en groepen
Moderne mens: Homo sapiens, de mensensoort in een samenleving
waartoe alle tegenwoordige mensen behoren Ambacht: Beroep waarbij iemand producten
Nomade: Iemand die rondtrekt zonder vaste maakt met zijn handen en gereedschap
woonplaats Belasting: Wat onderdanen aan hun regering
Prehistorie: Voorgeschiedenis, tijd van jagers en moeten betalen
boeren Beschaving: Hoogontwikkelde cultuur
Samenleving van jager-verzamelaars: Elite: Toplaag in de samenleving
Maatschappij van nomaden die leven van wat ze Gezag: Overwicht, persoon of instelling met
vinden en vangen in de natuur macht
Symbool: Teken waarmee iets wordt bedoeld Handel: Kopen en verkopen van producten
Tijd van jagers en boeren: Prehistorie Hiërarchie: Rangorde
Aanzien: Waardering, hoe belangrijk iemand Markt: Plaats waar producten worden gekocht
wordt gevonden en verkocht
Autarkisch: Wanneer een groep mensen voor Mythe: Godenverhaal
zichzelf zorgt Onderdaan: Persoon die moet gehoorzamen aan
Domesticeren: Planten en dieren in dienst van een regering
mensen aanpassen Overheid: Regering
Hiernamaals: Leven na de dood Polytheïstisch: Met veel goden
Landbouwrevolutie: Ontstaan van de landbouw Priester: Godsdienstig leider
Landbouwsamenleving: Maatschappij waarin Specialisatie: Als iemand zich richt op een
mensen in dorpen leven van landbouw bepaalde vaardigheid
Macht: Als je anderen kunt laten doen wat je wilt Staat: Regering, gebied met een regering
Migrant: Landverhuizer Stad: Van het platteland afgescheiden plaats
Milieu: Leefomgeving met veel bewoners, waarvan de meesten niet
Monument: Gedenkteken leven van landbouw
Natuurgodsdienst: Godsdienst waarbij krachten Stadstaat: Staat die bestaat uit een stad met
van de natuur vereerd worden het omliggende gebied
Nijverheid: Producten maken Tempel: Gebouw waar een god wordt vereerd
Offeren: Geschenk geven Volk: Grote groep mensen
Revolutie: Grote verandering Vorst: Hoofd van een staat
, TIJDVAK 2 - DE TIJD VAN GRIEKEN EN ROMEINEN
Adel (edelen): Groep aanzienlijke personen met Multiculturele samenleving: Samenleving met
voorrechten in de samenleving meerdere culturen
Antiek: Uit de oudheid Pax Romana: Romeinse vrede
Aristocratie: Regering van een groep Republiek: Staat zonder vorst
aanzienlijke mensen Romanisering: Verspreiding van de
Autochtoon: Oorspronkelijke bewoner Grieks-Romeinse cultuur
Barbaar: Onbeschaafde vreemdeling Senaat: Vergadering van mannen uit
Burger: Inwoner met bepaalde rechten aanzienlijke Romeinse families
Democratie: Volksregering, volk beslist Staatsgodsdienst: Geloof waarvan bestuurders
Directe democratie: Democratie waarin alle en ambtenaren aanhanger moeten zijn
burgers over politieke besluiten beslissen Tolerantie: Toestaan van andere culturen en
Filosofie: Alle wetenschappen meningen
Inheems: Autochtoon Vormentaal: Stijl, gebruikte vormen
Klassiek: Grieks-Romeins, zo goed dat het wordt Wereldrijk: Rijk in meerdere werelddelen
nagedaan Bijbel: Heilig boek van de christenen
Kolonie: Plaats waar een groep mensen zich Bekeren: Iemand een andere godsdienst aan
vestigt laten nemen
Kolonisatie: Koloniën stichten Christendom: Godsdienst van de christenen
Monarchie: Staat met één vorst Diaspora: Verspreiding
Oligarchie: Regering van een kleine groep Godsdienstvrijheid: Recht om openlijk een
Oudheid: (tijd van Grieken en Romeinen) tweede godsdienst aan te hangen
periode (3000 V.c. - 500 n.C) Jodendom: Godsdienst van de joden
Politiek: Betreft het bestuur Kerk: Organisatie van christenen
Rationeel: Redelijk, met verstand Martelaar: Iemand die sterft voor zijn geloof
Tiran: Alleenheerser die met geweld de macht Messias: (Christus) verlosser
heeft gegrepen Monotheïstisch: Met één god
Wetenschap: Systematisch onderzoek en de Norm: Wat mensen gewoon (normaal) vinden
kennis die daarbij ontstaat Prediker: Persoon die een geloof bekendmaakt
Zuil: Stenen paal Synagoge: Joods gebedshuis
Burgeroorlog: Oorlog binnen een staat Tenach: Heilig boek van de joden
Dictator: Alleenheerser Waarde: Wat mensen belangrijk vinden
Expansie: Uitbreiding Bondgenootschap: Samenwerking
Gouverneur: Provinciebestuurder Verdrag: Afspraak, overeenkomst
Imperium: Rijk Volksverhuizing: Verplaatsing van een volk
Keizer: Vorst van een groot rijk
, TIJDVAK 3 - DE TIJD VAN MONNIKEN EN RIDDERS
Allah: Arabisch voor God Leenman (vazal): Edelman die een gebied
Dynastie: Regerende familie bestuurt in opdracht van een leenheer
Emir: Arabische vorst Paus: Hoofd van de rooms-katholieke kerk,
Islam: Godsdienst van de moslims bisschop van Rome
Islamitische jaartelling: Jaartelling die begint Ridder: Militair te paard
bij 622 Abt: Hoofd van een klooster
Jihad: Heilige strijd, godsdienst verspreiden en Bisdom: Kerkprovincie
een goed moslim te zijn Bisschop: Godsdienstig leider van een
Kalief: Opvolger van de profeet Mohammed als kerkprovincie
politiek en geestelijk (godsdienstig) leider van Cesaropapie: Staatsvorm waarin de wereldlijk
moslims leider ook de geestelijke leider is
Kalifaat: Islamitisch rijk Dopen: Christen worden door onderdompeling
Koran: Heilige boek van de islam met water
Moskee: Islamitisch gebedshuis Geestelijke: Priester, godsdienstig leider
Moslim: Aanhanger van de islam Geestelijkheid: Alle geestelijken
Profeet: Boodschapper Heiden: Iemand van wie wordt gezegd dat hij
Sjiiet: Lid van de minderheidsgroep binnen de niet het goede geloof heeft
islam Heilige: Gestorven persoon die vereerd wordt
Soenniet: Lid van de grootste geloofsrichting vanwege zijn goede daden
binnen de islam Kerstenen: Bekeren tot het christendom
Sultan: Islamitische vorst Klooster: Woonplaats van monniken of nonnen
Domein: Landgoed van edelman of abdij Missionaris: Iemand met de opdracht (missie)
Herendienst: Onbetaald werk voor een heer om het christendom te verspreiden
Hoeve: Boerderij met land Monnik: Geestelijke die afgescheiden van de
Hofstelsel: Economisch systeem met horigen op samenleving leeft, meestal in een klooster
domeinen Non: Vrouwelijke monnik
Horige: Halfvrije boer Orthodoxe kerk: Oosterse kerk
Middeleeuwen: Derde periode (500-1500) Patriarch: Hoogste bisschop in oosterse kerk
Rentmeester: Iemand die voor de eigenaar een Relikwie: Overblijfsel van een heilige
landgoed beheert Rooms-katholiek (katholiek): Wat hoort bij de
Tijd van monniken en ridders: (vroege kerk onder leiding van de paus
middeleeuwen) derde tijdvak (500-1000) Schisma: Scheuring
Feodalisme (leenstelsel): Bestuurssysteem met Stand: Sociale groep met bepaalde rechten en
leenheren en leenmannen een vaste positie in de samenleving
Graaf: Hoge edelman, bestuurder van een Syncretisme: Het naar elkaar toegroeien van
graafschap godsdiensten
Hertog: Hoge edelman, bestuurder van een Tweezwaardenleer: Idee dat God de macht over
hertogdom de samenleving heeft verdeeld tussen geestelijke
Leenheer: Vorst of hoge edelman die een gebied en wereldlijke machthebbers
laat besturen door een leenman Wereldlijk: Niet-godsdienstig
, TIJDVAK 4 - DE TIJD VAN STEDEN EN STATEN
Aanbod: Wat iemand wil verkopen Nederlanden (Lage Landen): Gewesten in
Bank: Bedrijf dat geld bewaart, wisselt en Nederland, België en Luxemburg
uitleent Parlement: 1 oorspronkelijk: vergadering van de
Compagnie: Bedrijf waarin mensen geld drie standen in Engeland, 2 nu:
gestoken hebben volksvertegenwoordiging
Giro: Betalingssysteem waarbij geld via een Soevereiniteit: Hoogste macht
bank wordt overgemaakt Staatsvorming: Als een land steeds meer als
Hanze: Organisatie van samenwerkende eenheid wordt bestuurd
handelaren Standenmaatschappij: Maatschappij waarin de
Rente: Vergoeding voor het lenen van geld bevolking is verdeeld in standen met eigen
Specerij: Plantaardige smaakstof rechten en plichten
Tijd van steden en staten: Vierde tijdvak Staten-Generaal: 1 oorspronkelijk: vergadering
(1000-1500) van de standen , 2 nu: volksvertegenwoordiging
Tol: Belasting voor het gebruik van een weg, Universiteit: Instelling voor wetenschappelijk
rivier of brug onderwijs
Urbanisatie (verstedelijking): Het ontstaan en Ban: Excommunicatie, kerkelijke straf waarbij
de groei van steden iemand uit de kerk wordt gezet
Vraag: Wat iemand wil kopen Concilie: Vergadering van bisschoppen en de
Wisselbrief: Brief waarmee handelaren konden paus
betalen aan andere handelaren Heks: Persoon die kwaad aanricht met toverij en
Baljuw: Door vorst aangestelde rechter hulp van de duivel
Burgemeester: Hoogste bestuurder van een stad Inquisitie: Kerkelijke rechtbank
Burgerij: De gezamenlijke burgers Investituur: Plechtige benoeming
Gilde: Beroepsvereniging in een stad Kardinaal: Geestelijke met stemrecht bij de
Huursoldaat: Iemand die zich verhuurt als pausverkiezing
soldaat Ketter: Christen met een afwijkend geloof
Privilege: Voorrecht Primaat: Oppergezag
Raadhuis: Gebouw van het stadsbestuur Aflaat: Kwijtschelding van straf
Schepen: Bestuurder en rechter in een stad Heilige Land: Voor christenen het gebied waar
Schout: Door vorst aangestelde rechter Jezus zou hebben gepredikt (Israël/Palestina en
Schutterij: Gewapende burgerwacht delen van Jordanië en Libanon)
Stadsrecht: Privilege van een stad Ideologie: Geheel van ideeën over de
Vroedschap: Vergadering van aanzienlijke samenleving
burgers die het stadsbestuur adviseerde en Kruistocht: Gewapende tocht van christenen om
controleerde land op niet-christenen te veroveren
Centralisatie: Als een land steeds meer vanuit Kruisvaarder: Iemand die meedoet aan een
één plek wordt bestuurd kruistocht
Gewest: Provincie Propaganda: Verspreiding van ideeën
Derde stand: Burgerij Reconquista: Christelijke herovering van het
Keurvorsten: Duitse hoge edelen en bisschoppen Iberisch schiereiland
die de koning kiezen