TAAK 3: COGNITIEVE GEDRAGSTHERAPIE EN GEDRAGSACTIVATIE
PS: Welke cognitieve middelen zijn er binnen depressie?
LD:
1. Welke cognitieve theorieën zijn er? (Omvat ook CGT)
Algemene cognitieve psychologie – belangrijke begrippen:
- Informatieverwerking: de processen die een rol spelen bij de verwerving, opslag en
reproductie van kennis
o Omvat 3 aspecten:
Waarneming
Verwerking
Geheugen
- Schema’s: de kennis waarover een persoon beschikt is georganiseerd in schema’s
o Bevatten gegeneraliseerde kennis over de wereld, de persoon zelf en de interactie
tussen de persoon en de buitenwereld
o Bepaalde info activeert automatisch een schema => aanvullende info ter beschikking
Vaak zijn we ons er niet van bewust dat we de oorspronkelijke info aanvullen
– en daarmee interpreteren – met kennis uit dit schema
o Sturen infoverwerking
Beïnvloeden de selectie van info: bepalen welke info de aandacht trekt en
welke info wordt genegeerd
Interpretatie: betekenissen toekennen aan info
Transformatie: info verwerken tot nieuwe betekenissen
Het schema dat op een bepaald moment geactiveerd is, beïnvloedt wat we
ons kunnen herinneren en welke betekenis we eraan geven
Bias: verschillende soorten vertekeningen door verkeerde infoverwerking
o Organiseren van info in generaliserende schema’s => info selecteren, reduceren en
interpreteren => samenvattende gehelen
Nadeel: er kunnen in deze processen eventuele vergissingen of
vertekeningen optreden die zich tegen ons kunnen keren. In sommige
gevallen ontstaan dan psychische stoornissen
- Impliciete- en expliciete kennis
o Impliciete kennis: kan niet worden omschreven in exacte bewoording
Geen motivationele reden hiervoor
Veel kennis is impliciet
o Expliciete kennis: de bewuste kennis die in woorden valt te benoemen
- Automatische- en gecontroleerde informatieverwerking
o Slechts van een deel van de infoverwerking zijn wij ons bewust
Complexe info => selecteren en transformeren van de belangrijkste aspecten
o Automatische infoverwerking: zonder dat de persoon er door aandacht en actief
denken een bewuste invloed op probeert uit te oefenen
Alleen mogelijk bij een voorspelbare input
Allerlei processen treden dan ook parallel, naast elkaar, op
Voordelen:
Er kan veel info worden verwerkt, geen capaciteitsbeperking
Processen gebeuren snel en zonder haperingen
o Gecontroleerde infoverwerking: persoon moet bewust diens aandacht richten op
wat er zich voordoet en zich actief bezighouden met de betekenis hiervan
Bij onverwachte, onbekende input
Sterke capaciteitsbeperking: we kunnen ons op 1 moment bewust zijn van
slechts 5-7 kenniselementen (= bits)
, Meer serieel karakter: transformaties worden na elkaar uitgevoerd
- Schema-activering
o Schema’s: kennisstructuren die betrekking hebben op een bepaald terrein
Moet eerst worden geactiveerd, wil het de infoverwerking beïnvloeden
Activatie d.m.v. binnenkomende info waarop schema betrekking heeft
o Het is mogelijk dat meerdere schema’s (in wisselende mate) worden geactiveerd
o Factoren die bepalen welk schema wordt geactiveerd:
Actuele omstandigheden
Stemming van persoon
Sombere stemming => schema’s met een somber makende inhoud
- Het ontstaan van schema’s
o Factoren van invloed op de aard van schema’s:
Opgedane ervaringen tijdens de ontwikkeling van een kind
Cognitieve vermogens van een kind
- De instandhouding van schema’s
o Na vorming vertonen schema’s een zekere weerstand tegen verandering
Loslaten van schema => onvoldoende mogelijkheden om binnenkomende
info te verwerken => angst en onzekerheid
o 4 cognitieve mechanismen wanneer info het vooroordeel (schema) tegenspreekt:
Selectiebias: info die niet klopt met het schema wordt niet waargenomen
Interpretatiebias: info die niet klopt met het schema wordt meestal zo
geïnterpreteerd dat zij het vooroordeel bevestigt, of wordt opzij geschoven
of weggeredeneerd
Schema’s roepen verwachtingen op waarnaar persoon zich gaat gedragen.
Ervaringen die het vooroordeel tegenspreken, kunnen niet ontstaan
Herinneringsbias: men herinnert info die past in schema gemakkelijker
- Verandering van schema’s
o Schema’s bieden weerstand, maar zijn niet onveranderbaar
o Situaties waarin oude schema mogelijk wordt verlaten:
Dis-confirmerende ervaringen die niet stroken met schema
Persoonlijke en emotionele ervaringen hebben in vergelijking met
onpersoonlijke ervaringen een grotere invloed
Inzicht in inconsistenties in de kennis van het schema (of tussen kennis van 2
schema’s)
Beschikbaarheid van een ander schema
o Bestaand schema wordt geconfronteerd met info die niet overeenstemt met de
reeds aanwezige kennis in schema => handhaving of bijstelling van schema
Handhaving: assimilatie: nieuwe info wordt vervormd zodat ze alsnog in het
bestaande schema past
Bijstelling: accommodatie: aanpassing van het schema zodat het strookt met
de nieuwe info
Cognitieve theorieën: gaan over de informatieverwerking bij mensen en richten zich op de
karakteristieke inhoud en informatieverwerkingsprocessen bij de verschillende vormen van
psychopathologie.
- Belangrijke veronderstelling: psychische stoornissen komen voort uit de wijze waarop
mensen info selecteren en verwerken
o Relatie tussen de inhoud van schema’s en de verschillende vormen van
psychopathologie
- Bij diverse vormen van psychopathologie blijken ook karakteristieke
infoverwerkingsprocessen op te treden
, o Vertekeningen in de aandacht, de interpretatie en de herinnering van info
Cognitief-psychologische opvattingen (= psychische verschijnselen bestuderen met modellen waarin
infoverwerking een centrale rol speelt en daarnaast ook emoties, motieven, gedrag, aandacht en
fysiologische processen):
- Twee grondleggers van de cognitieve psychotherapie: Ellis en Beck. Stelden dat neurotische
problemen (zoals depressie of angst) worden veroorzaakt door onlogische, irrationele ideeën
die mensen aanhangen
o Ellis: nadruk op enkele universele irrationele opvattingen die verantwoordelijk
zouden zijn voor alle soorten van neurotische psychopathologie
o Beck: specifieke cognitieve karakteristieken veronderstellen verschillende vormen van
psychopathologie
Veel grotere invloed op onderzoek naar cognitieve modellen dan Ellis
Ontworpen verschillende vormen van cognitieve therapie
- Zelfspraak: een vorm van gecontroleerde infoverwerking bij het oplossen van problemen
- Attributies: de wijze waarop mensen oorzakelijke verklaringen geven voor belangrijke
gebeurtenissen die hen overkomen
- Stresscopingtheorie (Lazarus): beschrijft 2 elkaar opvolgende info-verwerkende processen:
o Primary appraisal: persoon maakt bij confrontatie met een potentiële stressfactor
een 1e inschatting van de mate van bedreiging
o Secondary appraisal: om vervolgens te beoordelen welke mogelijkheden hem ter
beschikking staan om de bedreiging succesvol het hoofd te bieden
De inhoud van schema’s bij verschillende vormen van psychopathologie (Beck)
- Beck: samenhang tussen verschillende vormen van psychopathologie en de inhoud van
cognitieve structuren
o Depressogene schema’s: de schema’s die aan depressie ten grondslag liggen
Gekenmerkt door de cognitieve triade:
Eigen waardeloosheid en schuld
Onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en anderen
Hopeloosheid van de toekomst
Schema filtert congruente stimuli uit omgeving om aandacht op te richten
Selectieve aandacht voor negatieve stimuli
Interpreteren neutrale en ambigue prikkels schemacongruent
Blijft bestaan na episode => stabiele kwetsbaarheid voor depressie
Stressors => activatie dysfunctionele schema’s => specifieke negatieve
cognities => automatische gedachtes (pessimistische cognitieve triade)
Vicieuze cirkel: dysfunctionele schema’s worden geactiveerd door
congruente events => negatieve automatische gedachtes,
verwerkingsbias en depressieve stemming
Onderscheid in soort schema’s:
Sociotropy: schema’s omtrent sociale relaties
Autonomie: schema’s omtrent prestaties
Associatief netwerk: betekenisgeving aan prikkel wordt verspreid over alles
dat binnen dit netwerk ligt (= spreading activation)
Prikkels met betekenis vereisen minder activatie om plaats te vinden
dan prikkels zonder betekenis => verwerkingsvoordeel
o Angststoornissen: gevaarschema’s; hoge verwachting van gevaar i.c.m. een lage
verwachting van de eigen mogelijkheden om de gevaarlijke situatie hoofd te bieden
- Beck: psychisch lijden ontstaat niet zozeer door de dingen die iemand meemaakt, maar door
de manier waarop iemand over deze denkt
PS: Welke cognitieve middelen zijn er binnen depressie?
LD:
1. Welke cognitieve theorieën zijn er? (Omvat ook CGT)
Algemene cognitieve psychologie – belangrijke begrippen:
- Informatieverwerking: de processen die een rol spelen bij de verwerving, opslag en
reproductie van kennis
o Omvat 3 aspecten:
Waarneming
Verwerking
Geheugen
- Schema’s: de kennis waarover een persoon beschikt is georganiseerd in schema’s
o Bevatten gegeneraliseerde kennis over de wereld, de persoon zelf en de interactie
tussen de persoon en de buitenwereld
o Bepaalde info activeert automatisch een schema => aanvullende info ter beschikking
Vaak zijn we ons er niet van bewust dat we de oorspronkelijke info aanvullen
– en daarmee interpreteren – met kennis uit dit schema
o Sturen infoverwerking
Beïnvloeden de selectie van info: bepalen welke info de aandacht trekt en
welke info wordt genegeerd
Interpretatie: betekenissen toekennen aan info
Transformatie: info verwerken tot nieuwe betekenissen
Het schema dat op een bepaald moment geactiveerd is, beïnvloedt wat we
ons kunnen herinneren en welke betekenis we eraan geven
Bias: verschillende soorten vertekeningen door verkeerde infoverwerking
o Organiseren van info in generaliserende schema’s => info selecteren, reduceren en
interpreteren => samenvattende gehelen
Nadeel: er kunnen in deze processen eventuele vergissingen of
vertekeningen optreden die zich tegen ons kunnen keren. In sommige
gevallen ontstaan dan psychische stoornissen
- Impliciete- en expliciete kennis
o Impliciete kennis: kan niet worden omschreven in exacte bewoording
Geen motivationele reden hiervoor
Veel kennis is impliciet
o Expliciete kennis: de bewuste kennis die in woorden valt te benoemen
- Automatische- en gecontroleerde informatieverwerking
o Slechts van een deel van de infoverwerking zijn wij ons bewust
Complexe info => selecteren en transformeren van de belangrijkste aspecten
o Automatische infoverwerking: zonder dat de persoon er door aandacht en actief
denken een bewuste invloed op probeert uit te oefenen
Alleen mogelijk bij een voorspelbare input
Allerlei processen treden dan ook parallel, naast elkaar, op
Voordelen:
Er kan veel info worden verwerkt, geen capaciteitsbeperking
Processen gebeuren snel en zonder haperingen
o Gecontroleerde infoverwerking: persoon moet bewust diens aandacht richten op
wat er zich voordoet en zich actief bezighouden met de betekenis hiervan
Bij onverwachte, onbekende input
Sterke capaciteitsbeperking: we kunnen ons op 1 moment bewust zijn van
slechts 5-7 kenniselementen (= bits)
, Meer serieel karakter: transformaties worden na elkaar uitgevoerd
- Schema-activering
o Schema’s: kennisstructuren die betrekking hebben op een bepaald terrein
Moet eerst worden geactiveerd, wil het de infoverwerking beïnvloeden
Activatie d.m.v. binnenkomende info waarop schema betrekking heeft
o Het is mogelijk dat meerdere schema’s (in wisselende mate) worden geactiveerd
o Factoren die bepalen welk schema wordt geactiveerd:
Actuele omstandigheden
Stemming van persoon
Sombere stemming => schema’s met een somber makende inhoud
- Het ontstaan van schema’s
o Factoren van invloed op de aard van schema’s:
Opgedane ervaringen tijdens de ontwikkeling van een kind
Cognitieve vermogens van een kind
- De instandhouding van schema’s
o Na vorming vertonen schema’s een zekere weerstand tegen verandering
Loslaten van schema => onvoldoende mogelijkheden om binnenkomende
info te verwerken => angst en onzekerheid
o 4 cognitieve mechanismen wanneer info het vooroordeel (schema) tegenspreekt:
Selectiebias: info die niet klopt met het schema wordt niet waargenomen
Interpretatiebias: info die niet klopt met het schema wordt meestal zo
geïnterpreteerd dat zij het vooroordeel bevestigt, of wordt opzij geschoven
of weggeredeneerd
Schema’s roepen verwachtingen op waarnaar persoon zich gaat gedragen.
Ervaringen die het vooroordeel tegenspreken, kunnen niet ontstaan
Herinneringsbias: men herinnert info die past in schema gemakkelijker
- Verandering van schema’s
o Schema’s bieden weerstand, maar zijn niet onveranderbaar
o Situaties waarin oude schema mogelijk wordt verlaten:
Dis-confirmerende ervaringen die niet stroken met schema
Persoonlijke en emotionele ervaringen hebben in vergelijking met
onpersoonlijke ervaringen een grotere invloed
Inzicht in inconsistenties in de kennis van het schema (of tussen kennis van 2
schema’s)
Beschikbaarheid van een ander schema
o Bestaand schema wordt geconfronteerd met info die niet overeenstemt met de
reeds aanwezige kennis in schema => handhaving of bijstelling van schema
Handhaving: assimilatie: nieuwe info wordt vervormd zodat ze alsnog in het
bestaande schema past
Bijstelling: accommodatie: aanpassing van het schema zodat het strookt met
de nieuwe info
Cognitieve theorieën: gaan over de informatieverwerking bij mensen en richten zich op de
karakteristieke inhoud en informatieverwerkingsprocessen bij de verschillende vormen van
psychopathologie.
- Belangrijke veronderstelling: psychische stoornissen komen voort uit de wijze waarop
mensen info selecteren en verwerken
o Relatie tussen de inhoud van schema’s en de verschillende vormen van
psychopathologie
- Bij diverse vormen van psychopathologie blijken ook karakteristieke
infoverwerkingsprocessen op te treden
, o Vertekeningen in de aandacht, de interpretatie en de herinnering van info
Cognitief-psychologische opvattingen (= psychische verschijnselen bestuderen met modellen waarin
infoverwerking een centrale rol speelt en daarnaast ook emoties, motieven, gedrag, aandacht en
fysiologische processen):
- Twee grondleggers van de cognitieve psychotherapie: Ellis en Beck. Stelden dat neurotische
problemen (zoals depressie of angst) worden veroorzaakt door onlogische, irrationele ideeën
die mensen aanhangen
o Ellis: nadruk op enkele universele irrationele opvattingen die verantwoordelijk
zouden zijn voor alle soorten van neurotische psychopathologie
o Beck: specifieke cognitieve karakteristieken veronderstellen verschillende vormen van
psychopathologie
Veel grotere invloed op onderzoek naar cognitieve modellen dan Ellis
Ontworpen verschillende vormen van cognitieve therapie
- Zelfspraak: een vorm van gecontroleerde infoverwerking bij het oplossen van problemen
- Attributies: de wijze waarop mensen oorzakelijke verklaringen geven voor belangrijke
gebeurtenissen die hen overkomen
- Stresscopingtheorie (Lazarus): beschrijft 2 elkaar opvolgende info-verwerkende processen:
o Primary appraisal: persoon maakt bij confrontatie met een potentiële stressfactor
een 1e inschatting van de mate van bedreiging
o Secondary appraisal: om vervolgens te beoordelen welke mogelijkheden hem ter
beschikking staan om de bedreiging succesvol het hoofd te bieden
De inhoud van schema’s bij verschillende vormen van psychopathologie (Beck)
- Beck: samenhang tussen verschillende vormen van psychopathologie en de inhoud van
cognitieve structuren
o Depressogene schema’s: de schema’s die aan depressie ten grondslag liggen
Gekenmerkt door de cognitieve triade:
Eigen waardeloosheid en schuld
Onrechtvaardigheid en liefdeloosheid van de wereld en anderen
Hopeloosheid van de toekomst
Schema filtert congruente stimuli uit omgeving om aandacht op te richten
Selectieve aandacht voor negatieve stimuli
Interpreteren neutrale en ambigue prikkels schemacongruent
Blijft bestaan na episode => stabiele kwetsbaarheid voor depressie
Stressors => activatie dysfunctionele schema’s => specifieke negatieve
cognities => automatische gedachtes (pessimistische cognitieve triade)
Vicieuze cirkel: dysfunctionele schema’s worden geactiveerd door
congruente events => negatieve automatische gedachtes,
verwerkingsbias en depressieve stemming
Onderscheid in soort schema’s:
Sociotropy: schema’s omtrent sociale relaties
Autonomie: schema’s omtrent prestaties
Associatief netwerk: betekenisgeving aan prikkel wordt verspreid over alles
dat binnen dit netwerk ligt (= spreading activation)
Prikkels met betekenis vereisen minder activatie om plaats te vinden
dan prikkels zonder betekenis => verwerkingsvoordeel
o Angststoornissen: gevaarschema’s; hoge verwachting van gevaar i.c.m. een lage
verwachting van de eigen mogelijkheden om de gevaarlijke situatie hoofd te bieden
- Beck: psychisch lijden ontstaat niet zozeer door de dingen die iemand meemaakt, maar door
de manier waarop iemand over deze denkt