Rond het jaar 1500, hadden veel mensen kritiek op de kerk. De priesters en monniken vertelden de
gelovigen at ze zich moesten houden aan de regels van het gelood.
De paus en de bisschoppen wouden alleen maar macht en leefden in rijkdom en luxe. Pastoor waren
aangesteld in verschillende parochies tegelijk, en ontvingen daarvan de inkomsten. In het geloof
mochten priesters geen kinderen en vrouwen, maar ruim ¼ had dat toch.
De bisschoppen vonden het goed zolang hun maar de jaarlijkse boete betaalden. (Veel mensen
vonden dat de geestelijken alleen geïnteresseerd waren in geld.)
De Duitse monnik Maarten Luther had kritiek op de manier waarop de geestelijke geld inzamelde
voor de van de sint Pieterskerk in Rome. Gelovigen konden aflaat briefjes kopen, in die tijd geloofde
men dat daarmee een stukje van je zondes vergeven zouden worden, Je kocht als het ware een plek
in de hemel.
Luther vond dit bedrog en wou de kerk hervormen. De leiding van de katholieke kerk wees dit af en
verbande Luther van de katholieke kerk. Karel V was tegen Luther en zei dat Luther zijn kritiek moest
herroepen maar hij weigerde.
De hertog van de Saksen nam Luther in bescherming. In het Duitse rijk brak oorlog uit tussen de
katholieke vorsten aangevoerd door de keizer, en de protestantse vorsten.
Jarenlang was er in het Duitse rijk een godsdienst oorlog. In 1555 werd de Vrede van Augsburg
getekend. Voortaan mocht iedere vorst in zijn gebied het geloof zelf bepalen.
Zo leidde de hervorming die met Luther was begonnen tot de stichting van de Protestantse
kerk.
Na Luther kwamen er meer hervormers. De belangrijkste hervormer na hem was Johannes Calvijn.
Calvijn legde de nadruk op Gods almacht. Volgens hem had god al van tevoren besloten we er in de
hemel zou komen. Volgens Luther waren alle vorsten door god aangesteld. Onderdanen moesten
daarom altijd gehoorzamen.
Calvijn vond juist dat men niet hoefde te gehoorzamen als een bevel van de overheid in strijd was
met Gods wil. In Nederland bleef de aanhang van Luther beperkt, maar na 1560 groeide het aantal
Calvinisten wel. Hoewel ze een minderheid bleven, vormden ze een strijdlustige invloedrijke groep
binnen de samenleving.
, 1.2
Karel V werd in 1515 landsheer van de Nederlandse gewesten. In het begin had Karel nog niet het
hele Nederlanden in handen. Door gebieden te kopen en oorlog te voeren bezat hij in 1543 op het
bisdom Lui na echter alle gewesten.
De Nederlanden bestonden uit 17 gewesten, elk met eigen regels en gewoonten. Om aan geld te
komen, moesten vorsten steeds met ieder afzonderlijk gewest onderhandelen over de belasting. Dit
gebeurde in de gewestelijke Staten. Daarin zaten de voornaamste edelen, geestelijken en
afgevaardigden van de steden van het gewest.
Pas wanneer de vorst hun oude privileges wilde bevestigen of hun nieuwe wilde geven, waren de
staten bereid hem de belasting te betalen.
Karel verbleef meestal buiten de Nederlanden. Hij liet zich vertegenwoordigen door een
landvoogd(es). Binnen ieder afzonderlijk gewest benoemde hij een plaatsvervanger of stadhouder.
Karel probeerde het bestuur van de Nederlanden te hervormen door meer vanuit de hoofdstad
Brussel te regeren. Dit proces, waarbij steeds meer vanuit 1 plaats wordt geregeerd, heet
centralisatie.
Als Karel snel geld nodig had, riep hij afgevaardigden uit alle gewesten tegelijk bij elkaar. Zo’n
bijeenkomst heette de Staten-Generaal. Het streven naar zoveel mogelijk zelfbestuur en behoud van
privileges noemen we particularisme.
Karel V wenste dat al zijn onderdanen katholiek waren. Hij vaardigde daarom een paar keer
plakkaten uit tegen de protestanten, die hij als ketters beschouwde. Een plakkaat uit 1550 was zo
streng dat het bekend staat als het Bloedplakkaat.
Vaak zorgden de stadsbesturen in de Nederlanden expres niet goed voor de uitvoering van de
plakkaten, omdat ze niet gediend waren van de centrale wetgeving.
In 1555 trad Karel V af. Zijn jongere broer Ferdinand volgde hem in het Duitse rijk op. Zijn zoon Filips
II werd koning van Spanje en landsheer over de Nederlanden. Hij voelde zich niet thuis in de
Nederlanden, dus in 1559 vertrok hij naar Spanje.
Bestuurd in de Nederlanden werd overgelaten aan Margareta van Parma (Landvoogdes)
Filips probeerde vanuit Spanje de controle over het bestuur te behouden. Hij verbood Margareta
bijvoorbeeld de Staten-Generaal bijeen te roepen.
Filips was streng katholiek en eiste dat het Bloedplakkaat strikt zou worden nageleefd. De
verontwaardiging over de inquisitie, die alles in het werk stelde om protestanten op te sporen en te
veroordelen, groeide.
Een groep edelen bood Margareta het Smeekschrift aan. Hierin verzochten zij dat de politieke en
religieuze problemen in de Nederlanden opgelost werden en de plakkaten tegen de ketters buiten
werking te stellen tot Filips had geantwoord.
Margareta beloofde dat ze de inquisiteurs opdracht zou geven voorlopig minder streng te zijn.