Ontwikkelingstheorieën
Ontwikkeling = geleidelijke verandering van persoon in vaak ‘’gunstige’’ richting.
Sociale wetenschappen
- Psychologie = gedrag en ontwikkeling van gezonde mens
- Sociologie = manier waarop mensen met elkaar omgaan
- Psychiatrie = diagnose/behandeling van psychische problemen
- Pedagogiek = invloed opvoeding op ontwikkeling
- Orthopedagogiek = stoornissen in de normale ontwikkeling
Ontwikkelingsaspecten
- Lichamelijke ontwikkeling
- Motorische ontwikkeling
- Cognitieve ontwikkeling
- Sociaal-emotionele ontwikkeling
- Seksuele ontwikkeling
Jean Piaget
- Cognitief denken: taal, aandacht, geheugen
- Geboren met aangeboren reflexen en neigingen om actief om te gaan met omgeving
- Groeien door middel van interactie met omgeving en lichamelijke rijping
- VOLGENDE FASE PAS BEGINNEN ALS VORIGE VOLTOOID IS
Fasen
- Sensomotorisch (0-2 jaar)
o Leren door middel van reflexen en positieve reacties
- Pre-operationeel (2-7 jaar)
o Egocentrische fase: denken rondom zichzelf
o Niet in staat om zich te verplaatsen in ander
- Concreet-operationeel (7-11 jaar)
o Egocentrische fase voorbij
o Kan zich in ander verplaatsen
- Formeel-operationeel (>12 jaar)
o Abstract en logisch denken
o Ontwikkelen kritische houding
Vygotsky
- Observeren beginsituatie kind: aanwezige kennis en vaardigheden en vervolgens de zone van
naaste ontwikkeling bepalen.
- Zone van naaste ontwikkeling = kind stimuleren om iets nieuws te leren (sluit aan op
beginsituatie), op deze manier is het kind optimaal leerbaar.
,Sigmund Freud
- Onbewuste psychische processen en aangeboren driften
- Es = aangeboren reflexen en verlangens
- Superego = geweten
- Ego = op juiste wijze omgaan met es en superego
Erik Erikson
- Sociale context: vijf stadia tot adolescentie en drie stadia tot volwassenheid
- Succes in stadium is afhankelijk van de mate van succes in de vorige stadia
- In iedere fase crisis of problematiek
o Goed doorkomen = krachten opgedaan
o Slecht doorkomen = later opnieuw problemen
Basaal vertrouwen versus basaal wantrouwen (0-2 jaar)
- Zorg en veiligheid basis voor basaal vertrouwen
- Door voorspelbaarheid en continuiteit: ego-identiteit
- Basaal wantrouwen door tekort aan zorg/veiligheid
Autonomie versus schaamte en twijfel (2-5 jaar)
- Kind wil autonoom zijn, maar wordt gegrepen door schaamte en twijfel (regels/hoge eisen)
Initiatief versus schuldgevoel
- Steeds meer autonoom
- Kind kan meer zelfstandig dan broertje/zusje en voelt zich daar schuldig over
Vlijt versus minderwaardigheid (6-11 jaar)
- Ervaart dat kennis wordt vergroot
- Belangrijk is duidelijke balans tussen vaardigheden en taken, anders disbalans
Identiteit versus rolverwarring (11-20 jaar)
- Keuzes maken bepaalt de identiteit van het kind
- Wanneer dat niet lukt, ontstaat identiteitsverwarring
Margaret Mahler
- Objectrelatie begint met totale afhankelijkheid moeder tot emotionele onafhankelijkheid en
aangaan van relaties met anderen (is ontwikkeld rond leeftijd van drie jaar).
o Autistische fase (0-3 maanden)
▪ Volledig afhankelijk, geen besef van buitenwereld
o Symbiotische fase (3-5 maanden)
▪ Meer belangstelling voor buitenwereld
o Seperatie-individu fase (5-36 maanden)
▪ Differentiatiefase (5-10 maanden)→ moeder van anderen onderscheiden
▪ Oefenfase (10-18 maanden) → kind komt meer los van moeder
▪ Toenaderingsfase → autonomer, maar wel aandacht voor moeder
▪ Consolidatiefase (>3 jaar) → eigen individualiteit, aandacht op buitenwereld
- Objectconstantie = innerlijke beeld van relatie met ouders vasthouden, ook als ze niet
aanwezig zijn
,Samenvatting ontwikkelingspsychologen
Piaget = cognitief denken
- Sensomotorisch
- Pre-operationeel
- Concreet-operationeel
- Formeel-operationeel
Vygotsky = leren door middel van de zone van naaste ontwikkeling
Freud
- Es = onbewuste/aangeboden driften en angsten
- Superego = geweten
- Ego = op juiste manier omgaan met es en superego
Erikson = conflicten die je mee moet maken en oplossen, anders krijg je later problemen
Mahler = loskomen van ouders door middel van verschillende fasen (seperatie-individuatie:
differentiatiefase en oefenfase)
Ontwikkeling van 0-23 jaar
De baby (0-1 jaar)
Lichamelijk
- Veel slapen om te groeien en hersenen te ontwikkelen
- Beste omgeving = lauw, rustig en met veel buitenlucht
Motorisch
- Spieren nog nauwelijks ontwikkeling
- Ontwikkeling van boven naar beneden, van grof naar fijn en van ongericht naar gericht
Cognitief
- Zintuigen erg belangrijk
- Assimilatie = structureren van informatie
- Accommodatie = plaatsen van informatie in juiste context
Sociaal-emotioneel
- Veilig hechten aan primaire verzorgers
- Eenkennigsheidsfase rond zeven maanden
Sensueel
- Orale fase: alles in de mond stoppen
- Aanraking is essentieel: babymassage
, De dreumes (1-2 jaar)
Lichamelijk
- Gewicht neemt toe
- Zintuigen ontwikkelen
- Behoefte aan slaap kan variëren, veel behoefte aan vast slaap-waakritme
Motorisch
- Exploratiedrang en ontdekkingsreis
- Balans tussen onderzoeken en grenzen stellen
Cognitief
- Leren door te doen
- Sensomotorisch: onderscheid maken tussen jezelf en de wereld
Sociaal-emotioneel
- Leren door imitatie en uitproberen
Sensueel
- Ontdekken en onderzoeken van eigen geslacht
De peuter (2-4 jaar)
Lichamelijk
- Eetlust neemt af en kinderen worden kieskeuriger
- Melkgebit ontwikkelt zich
Motorisch
- Grove motoriek en fijne motoriek zijn in ontwikkeling
Cognitief
- Differentiatiefase (woordenschatexplosie) (250-1500 woorden)
- Magisch denken (geen onderscheid in werkelijkheid en fantasie)
Sociaal-emotioneel
- Eist veel en vaak aandacht op
- Koppigheidsfase
Sensueel
- Anale fase
- Starten met zindelijkheidstraining
- Onderzoeken van de verschillen in geslacht