Rechtspsychologie
Samenvatting Routes van het recht
Wat is rechtspsychologie?
2 taken voor rechtspsychologen in het recht:
1. De studie van het recht als gedragstechnologie
2. De studie van het gedrag dat onder invloed van het recht staat of zou moeten staan
Rechtsregels en instituties die regels vormen en toepassen zijn mensenwerk, en daar is de
psychologie mee bezig hoe mensen zich gedragen en welke invloeden zij ondergaan, maar ook
hoe andere mensen vinden dat andere mensen zich horen te gedragen en hoe dat wordt
bewerkstelligd. Rechtspsychologie strekt zich daarbij uit over het gehele juridische spectrum.
Wat doen rechtspsychologen subvelden:
1. validiteit van verklaringen onderzoeken: evaluatie van verklaringen slachtoffers, getuigen,
etc. Dit door onderzoeken van de ondervraging, omstandigheden van de ondervraging en
hoe dit de kwaliteit van verklaringen beïnvloed komt de verklaringen overeen met wat er
werkelijk is gebeurd?
2. Misleiding van verklaring: opsporing van misleiding van verdachte, a.d.h.v. non-verbale en
verbale technieken om valse symptomen, ziektes en stoornissen te detecteren en daarmee
geheugendisfunctie vast te stellen. kijk of een verklaring niet nep is, zoals claims van een
stoornis.
3. Psychologie van bewijs en bewijsverzameling
- Cognitieve biases onderzoeken door adviseren over principes van psychologische
theorieën over bewijs.
- Validiteit onderzoeksmethoden identificaties en identificatieprocedures van personen,
objecten en stemmen.
Als rechtspsycholoog ben je geen echter of psycholoog. Je hanteert verschillende definities en andere
empirie gericht op individuele zaken (voor een rechter is dit normatief).
Verschillen en overeenkomsten
Rechtswetenschap
Overeenkomsten met rechtspsychologie
- Beide zijn geneigd te spreken in termen van individueel gerag en concrete zaken.
Verschil met de rechtspsychologie en reden waarom discours moeizamer verloopt:
- Het recht is een normatief systeem, waarin de centrale vraag is wat hoort en wat niet hoort
en met welke procedures de juiste toestand bereik dient te worden. Dit in tegenstelling met
de psychologie die zich primair bezighoudt met descriptie; hoe het leven in elkaar steekt, hoe
regels een feitelijke rol spelen in het gedrag van mensen, hoe beslissingen worden genomen
en hoe dit zich verhoudt met het juridisch kader (rechtspsychologie).
- Het rechtsbedrijf is niet alleen gericht op hoe een toestand behoort te zijn, maar ook mt
welke middelen dat kan worden bereikt. Psychologisch onderzoek laat
Forensische psychologie
Verschil met rechtspsychologie:
- De rechtspsychologie heeft haar wortels in de psychologische functieleer (algemeen
menselijke functies, zoals waarnemen,, herinneren en beslissen), de forensische psychologie
komt voort uit de klinische psychologie (afwijkend gedrag van individuen). Forensische
psychologen zijn werkzaam in jeugdinrichtingen, Raden van Kinderbescherming, het
gevangeniswezen en forensisch psychiatrische centra. Ook kunnen zij advies geven over de
toerekeningsvatbaarheid van een verdachte. Met andere woorden is het werk van een
, forensisch psycholoog het toepassen van de klinische psychologie op de casuïstiek van
individuele daders en al dan niet potentiële slachtoffers.
- In de forensische psychologie wordt weinig empirisch onderzoek verricht. De basis van de
rechtspsychologie is de empirische studie van algemeen psychologische verschijnselen in het
recht (functioneren, participanten, beslissen). In het rechtspsychologisch onderzoek
overheerst de experimentele benadering (via laboratorium of veldexperiment).
- Rechtspsychologen doen niet alleen onderzoek. Zij leveren in toenemende mate bijdrage aan
rechtspraktijk als getuigendeskundigen in civiele- en strafzaken. Zij geven onderwijs in hun
specialisme en dragen bij aan de opleiding en nascholing van advocaten, OvJ’s en rechters.
Klassieke experimenten in de rechtspsychologie
De rechtspsychologie is een empirische wetenschap. Een toegepaste vorm van psychologie:
toegepast op het gedrag en functioneren van alle rechtssubjecten en op professionals die werkzaam
zijn in het strafrechtketen.
Het klassieke experiment (design)
- Er is sprake van een voormeting en nameting
- Er is sprake van een experimentele groep (met een manipulatie of interventie) en van een
controlegroep (zonder interventie).
- Proefpersonen zijn at random (aselect) toegewezen aan de experimentele groep of aan de
controlegroep, zodat er geen systematische verschillen in de samenstellingen zijn van de
groepen die van invloed kunnen zijn op de uitkomstmaat.
- Elk verschil tussen beide groepen tijdens de nameting, dat niet waarneembaar was tijdens de
voormeting, kan worden toegeschreven aan de interventie.
De interne validiteit in dit experiment is hoog, omdat er nauwkeurig gericht kan worden op
specifieke effecten en storende invloeden systematisch buiten gehouden kunnen worden.
De externe validiteit is beperkt (de generaliseerbaarheid), omdat er niet wordt gewerkt met grote
steekproeven die representatief zijn voor een populatie. Bovendien zijn de experimenten uitgevoerd
in een laboratorium, verwijderd van de werkelijkheid waarin het onderzochte een rol zou spelen.
Toch hebben we veel aan deze experimenten, omdat het bestaan en de werking van niet of
nauwelijks te isoleren effect met experimenten kan worden aangetoond. Naarmate een experiment
vaker wordt gerepliceerd, waarbij verschillende varianten en omstandigheden worden gehanteerd
en verschillende soorten proefpersonen meewerken, zal de externe validiteit van
overeenstemmende bevindingen toenemen.
Quasi experimenten
Dit zijn experimenten die afwijken van het klassieke design.
- Het exacte ontwerp van een quasi experiment hangt af van de vraagstelling, de situatie en
de mogelijke procedures van de gegevensverzameling.
- Het element van randomisering en meerdere experimentele groepen blijft behouden.
Invloedbaarheid van getuigen
Het experiment van Loftus
Loftus liet zien dat men in het recht niet voor mogelijk hield dat getuigen na allerlei subtiele
invloeden feilbaar zijn. Dit liet zij zien in drietal experimenten: de eerste twee experimenten waren 7
korte filmpjes die werden getoond aan 45 studenten.
- 1e experiment: deze filmpjes lieten aanrijdingen zien van twee auto’s. aan een deel van de
proefpersonen werd gevraagd: hoe snel gingen de auto’s wanneer zij met elkaar in contact
kwamen? De andere proefpersonen kregen dezelfde vraag, maar in plaats van contact werd
het aangereden, bumped, smashed, etc. de geschatte snelheid groeide van 31,8 mijl/h naar
, 40,8 mijl/h. conclusie: de vorm van een vraag kan het antwoord van getuigen
beïnvloeden.
- 2e experiment: 150 studenten kregen hetzelfde filmpje te zien van een aanrijding van twee
auto’s. 50 studenten kregen een vragenlijst met de vraag: hoe snel gingen de auto’s wanneer
zij smashed into each other? 50 andere studenten kregen dezelfde vraag maar dan smashed
vervangen met hit. Een week later kregen alleen een vragenlijst met de vraag of er gebroken
glas lag. Het percentage proefpersonen dat meende gebroken glas te zien hebben, dat niet
zichtbaar was op het filmpje, groeide van 12% in de controlegroep (die geen vragenlijst had)
tot 32% in de groep die de vraag had met het woord ‘smashed’.
- 3e experiment: verschillende varianten van het experiment aan grote aantallen
proefpersonen een serie dia’s laten zien van een ongeval waarbij een auto en een persoon
betrokken waren. De helft kreeg foto’s te zien met daarop bij het kruispunt een normaal
voorrangsbord, de andere helft een stop bord en opnieuw kregen de proefpersonen een
vragenlijst met de vraag: is een andere auto voorbij gereden terwijl de andere auto gestopt
was bij de stopbord/voorrangsbord? De vragenlijsten waren voor de ene helft van de
proefpersonen misleidend. De kans op het juiste antwoord werd dus kleiner dan 50%.
Conclusie: men kan het geheugen van getuigen veranderen door achteraf, na de gebeurtenis die zij
zich herinneren, misleidende informatie te geven. Dat is relevant voor de praktijk, want getuigen
staan nadat zij een misdrijf zagen onder veel invloeden: praten met andere getuigen, lezen de krant,
worden niet altijd correct ondervraagd door de politie. Je kan getuigen ook dingen laten herinneren
die er niet waren.
Veranderingsblindheid
Deur-studie van Simon en Levin.
Het experimentele opzet zonder randomisering, controle groep en voor- en nameting.
- Onderzocht of de proefpersonen een persoonswisseling opmerken nadat het visuele contact
met de gesprekspartner is onderbroken.
De deurstudie was een veldonderzoek naar veranderingsblindheid. Veranderingsblindheid kan
optreden bij ooggetuigen van een delict. Veranderingsblindheid komt vooral voor als mensen
informatie op een oppervlakkige wijze encoderen. Dit verklaart waarom onschuldigen die toevallig
op een plaats delict aanwezig zijn, door ooggetuigen soms als daders worden gehouden.
Het experiment is als volgt: op het moment dat de deur het zicht weg neemt bij een persoon, wisselt
de andere persoon van plaats met één van de mannen die de deur droeg. Nadat de nieuwe man, die
qua lengte, postuur en stem niet overeenkomen met de andere man, na een tijdje aan de persoon
vroeg waarmee hij in gesprek was of er iets anders was, had de helft van de personen de
persoonsverwisseling niet opgemerkt.
Valse bekentenissen.
Alt-Toets experiment van Kassin en Kiechel.
Dit experiment liet in een laboratorium setting zien onder welke omstandigheden mensen overgaan
tot het bekennen van iets dat zij niet hebben gedaan. drie punten:
1. Het experiment was erop gericht om te onderzoeken of en in welke mate mensen iets
bekennen dat zij niet hebben gedaan ten gevolge van de confrontatie met vals bewijs.
2. Het experiment onderzocht in welke mate valse bekenners die bekentenis ook internaliseren
(geloven dat waarvan zij worden beschuldigd ook gebeurd is).
3. Er werd gevraagd aan de valse bekenners of men zich details kon herinneren van hoe en
waarom men de Alt-toets had aangeraakt.
Het experiment: proefpersonen moesten in koppels van twee een reactietijdentest uitvoeren, waarbij
de ene persoon letters opnoemde en de ander die letters in toetste. Bij de helft van de groep was het
voorleestempo laag en bij de ander een hoog tempo. Eén lid van het koppel van een medewerker
van de onderzoeker (confederate). De proefpersonen kregen duidelijke instructie: de alt-toets mag
niet worden aangeraakt, omdat het computer systeem dan zou crashen. Wanneer de werkelijke
, persoon aan de beurt was, liep het computersysteem vast en kwam de gestreste onderzoeksleider
binnen en beschuldigde de proefpersoon van het aanraken van de alt-toets. Daarop vroeg de
onderzoeksleider aan de conferate of zij iets had gezien. In de helft van de gevallen had de
confederate niks gezien, maar in de andere helft van de gevallen claimde de confederate dat de
proefpersoon de alt-toets had ingedrukt = interventie: wel bewijs/geen bewijs. Indien de
proefpersoon toegaf dat hij de alt-toets had ingedrukt, werd gevraagd een schuldbekentenis te
ondertekenen. na afloop werden de proefpersoon door een andere confederate benaderd met de
vraag wat er was gebeurd, zo kon worden achterhaald of de proefpersonen ook geloofden dat zij de
alt-toets hadden ingedrukt.
o 69% van de proefpersonen bekende
In de variantie met het langzame tempo bekende 35% zonder confrontatie
met het valse bewijs, terwijl 89% bekende na een confrontatie met vals
bewijs.
In de variantie met hoog tempo bekende 65% zonder vals bewijs en 100% na
confrontatie met de valse verklaring van de confederate. Het effect van vals
bewijs op de bekentenis is duidelijk.
o 28% van de proefpersonen geloofde zelf ook
Langzaam tempo: 0% geloofde het, 44% geloofde het wel met vals bewijs
conditie.
Hoog tempo: zonder bewijs geloofde 12% het, met vals bewijs geloofde 65%
het.
o 9% wist alle details van dat voorval erbij te verzinnen.
Hoog tempo met vals bewijs laten zien verzon 35% van de proefpersonen
details over het aanraken van de alt-toets.
Relevantie van het experiment: in het rechtssysteem waarin het geoorloofd is om een bekentenis uit
een verdachte te persen met vergaande verhoortechnieken, dient men erop bedacht zijn dat er een
verhoogd risico is op valse bekentenissen. Verhoortechnieken zoals de Reid-techniek leveren meer
bekentenissen op van schuldige verdachte door het aandragen van vals bewijs. Maar dan leidt ook
tot disproportioneel meer valse bekentenissen. Het uitsluitend confronteren met vals belastend
bewijs leidt tot een toename van valse bekentenissen.
Kritiek op het experiment: voornamelijk kritiek op de externe validiteit (generaliseerbaarheid) in de
zin dat valse bekentenissen in het experiment niet realistisch is t.o.v. bekentenissen in werkelijke
strafzaken. Er stond bijv. weinig op het spel voor deelnemers. En de te bekennen handeling (alt-toets
aanraken) is een ander handeling dan het plegen van een ernstig misdrijf. bekennen van het
aanraken van een toets is gemakkelijker en vrijblijvender dan het bekennen van een misdrijf.
Commissies in het geheugen: crashing memories en het probleem van source monitoring
Het geheugen over waarnemingen met informatie die achteraf wordt gegeven of die door de
woordkeuze in een vraag verscholen ligt, een herinnering kan worden gekleurd of aangepast. Maar is
het mogelijk om het geheugen van getuigen dusdanig aan te passen dat de getuigen informatie die zij
niet uit eigen waarneming konden hebben, tot een authentieke herinnering zouden bombarderen?
experiment van Crombag, Wagenaar en van Koppen: na het neerstorten van het El AL Boeing 747
vrachtvliegtuig vroegen de onderzoekers een paar maanden later aan artsen en juristen of zij
opnames hadden gezien van het neerstorten. De opnames bestonden niet en daarom wisten ze ook
zeker dat datgene wat er eventueel zou worden gerapporteerd als eigen herinnering van het zien van
die beelden, een pseudo-herinnering moest zijn = ground truth.
Een andere vraag die zij stelden, was hoelang het duurde voordat het vuur begon na de crash. 55%
beweerde dat ze de opnames hadden gezien en 82% van hen dacht dat het vuur direct daarna begon.
In het tweede experiment stelden ze dezelfde vragen, maar met meer detailvragen. 66% zeiden dat
ze de opnames hadden gezien.
Samenvatting Routes van het recht
Wat is rechtspsychologie?
2 taken voor rechtspsychologen in het recht:
1. De studie van het recht als gedragstechnologie
2. De studie van het gedrag dat onder invloed van het recht staat of zou moeten staan
Rechtsregels en instituties die regels vormen en toepassen zijn mensenwerk, en daar is de
psychologie mee bezig hoe mensen zich gedragen en welke invloeden zij ondergaan, maar ook
hoe andere mensen vinden dat andere mensen zich horen te gedragen en hoe dat wordt
bewerkstelligd. Rechtspsychologie strekt zich daarbij uit over het gehele juridische spectrum.
Wat doen rechtspsychologen subvelden:
1. validiteit van verklaringen onderzoeken: evaluatie van verklaringen slachtoffers, getuigen,
etc. Dit door onderzoeken van de ondervraging, omstandigheden van de ondervraging en
hoe dit de kwaliteit van verklaringen beïnvloed komt de verklaringen overeen met wat er
werkelijk is gebeurd?
2. Misleiding van verklaring: opsporing van misleiding van verdachte, a.d.h.v. non-verbale en
verbale technieken om valse symptomen, ziektes en stoornissen te detecteren en daarmee
geheugendisfunctie vast te stellen. kijk of een verklaring niet nep is, zoals claims van een
stoornis.
3. Psychologie van bewijs en bewijsverzameling
- Cognitieve biases onderzoeken door adviseren over principes van psychologische
theorieën over bewijs.
- Validiteit onderzoeksmethoden identificaties en identificatieprocedures van personen,
objecten en stemmen.
Als rechtspsycholoog ben je geen echter of psycholoog. Je hanteert verschillende definities en andere
empirie gericht op individuele zaken (voor een rechter is dit normatief).
Verschillen en overeenkomsten
Rechtswetenschap
Overeenkomsten met rechtspsychologie
- Beide zijn geneigd te spreken in termen van individueel gerag en concrete zaken.
Verschil met de rechtspsychologie en reden waarom discours moeizamer verloopt:
- Het recht is een normatief systeem, waarin de centrale vraag is wat hoort en wat niet hoort
en met welke procedures de juiste toestand bereik dient te worden. Dit in tegenstelling met
de psychologie die zich primair bezighoudt met descriptie; hoe het leven in elkaar steekt, hoe
regels een feitelijke rol spelen in het gedrag van mensen, hoe beslissingen worden genomen
en hoe dit zich verhoudt met het juridisch kader (rechtspsychologie).
- Het rechtsbedrijf is niet alleen gericht op hoe een toestand behoort te zijn, maar ook mt
welke middelen dat kan worden bereikt. Psychologisch onderzoek laat
Forensische psychologie
Verschil met rechtspsychologie:
- De rechtspsychologie heeft haar wortels in de psychologische functieleer (algemeen
menselijke functies, zoals waarnemen,, herinneren en beslissen), de forensische psychologie
komt voort uit de klinische psychologie (afwijkend gedrag van individuen). Forensische
psychologen zijn werkzaam in jeugdinrichtingen, Raden van Kinderbescherming, het
gevangeniswezen en forensisch psychiatrische centra. Ook kunnen zij advies geven over de
toerekeningsvatbaarheid van een verdachte. Met andere woorden is het werk van een
, forensisch psycholoog het toepassen van de klinische psychologie op de casuïstiek van
individuele daders en al dan niet potentiële slachtoffers.
- In de forensische psychologie wordt weinig empirisch onderzoek verricht. De basis van de
rechtspsychologie is de empirische studie van algemeen psychologische verschijnselen in het
recht (functioneren, participanten, beslissen). In het rechtspsychologisch onderzoek
overheerst de experimentele benadering (via laboratorium of veldexperiment).
- Rechtspsychologen doen niet alleen onderzoek. Zij leveren in toenemende mate bijdrage aan
rechtspraktijk als getuigendeskundigen in civiele- en strafzaken. Zij geven onderwijs in hun
specialisme en dragen bij aan de opleiding en nascholing van advocaten, OvJ’s en rechters.
Klassieke experimenten in de rechtspsychologie
De rechtspsychologie is een empirische wetenschap. Een toegepaste vorm van psychologie:
toegepast op het gedrag en functioneren van alle rechtssubjecten en op professionals die werkzaam
zijn in het strafrechtketen.
Het klassieke experiment (design)
- Er is sprake van een voormeting en nameting
- Er is sprake van een experimentele groep (met een manipulatie of interventie) en van een
controlegroep (zonder interventie).
- Proefpersonen zijn at random (aselect) toegewezen aan de experimentele groep of aan de
controlegroep, zodat er geen systematische verschillen in de samenstellingen zijn van de
groepen die van invloed kunnen zijn op de uitkomstmaat.
- Elk verschil tussen beide groepen tijdens de nameting, dat niet waarneembaar was tijdens de
voormeting, kan worden toegeschreven aan de interventie.
De interne validiteit in dit experiment is hoog, omdat er nauwkeurig gericht kan worden op
specifieke effecten en storende invloeden systematisch buiten gehouden kunnen worden.
De externe validiteit is beperkt (de generaliseerbaarheid), omdat er niet wordt gewerkt met grote
steekproeven die representatief zijn voor een populatie. Bovendien zijn de experimenten uitgevoerd
in een laboratorium, verwijderd van de werkelijkheid waarin het onderzochte een rol zou spelen.
Toch hebben we veel aan deze experimenten, omdat het bestaan en de werking van niet of
nauwelijks te isoleren effect met experimenten kan worden aangetoond. Naarmate een experiment
vaker wordt gerepliceerd, waarbij verschillende varianten en omstandigheden worden gehanteerd
en verschillende soorten proefpersonen meewerken, zal de externe validiteit van
overeenstemmende bevindingen toenemen.
Quasi experimenten
Dit zijn experimenten die afwijken van het klassieke design.
- Het exacte ontwerp van een quasi experiment hangt af van de vraagstelling, de situatie en
de mogelijke procedures van de gegevensverzameling.
- Het element van randomisering en meerdere experimentele groepen blijft behouden.
Invloedbaarheid van getuigen
Het experiment van Loftus
Loftus liet zien dat men in het recht niet voor mogelijk hield dat getuigen na allerlei subtiele
invloeden feilbaar zijn. Dit liet zij zien in drietal experimenten: de eerste twee experimenten waren 7
korte filmpjes die werden getoond aan 45 studenten.
- 1e experiment: deze filmpjes lieten aanrijdingen zien van twee auto’s. aan een deel van de
proefpersonen werd gevraagd: hoe snel gingen de auto’s wanneer zij met elkaar in contact
kwamen? De andere proefpersonen kregen dezelfde vraag, maar in plaats van contact werd
het aangereden, bumped, smashed, etc. de geschatte snelheid groeide van 31,8 mijl/h naar
, 40,8 mijl/h. conclusie: de vorm van een vraag kan het antwoord van getuigen
beïnvloeden.
- 2e experiment: 150 studenten kregen hetzelfde filmpje te zien van een aanrijding van twee
auto’s. 50 studenten kregen een vragenlijst met de vraag: hoe snel gingen de auto’s wanneer
zij smashed into each other? 50 andere studenten kregen dezelfde vraag maar dan smashed
vervangen met hit. Een week later kregen alleen een vragenlijst met de vraag of er gebroken
glas lag. Het percentage proefpersonen dat meende gebroken glas te zien hebben, dat niet
zichtbaar was op het filmpje, groeide van 12% in de controlegroep (die geen vragenlijst had)
tot 32% in de groep die de vraag had met het woord ‘smashed’.
- 3e experiment: verschillende varianten van het experiment aan grote aantallen
proefpersonen een serie dia’s laten zien van een ongeval waarbij een auto en een persoon
betrokken waren. De helft kreeg foto’s te zien met daarop bij het kruispunt een normaal
voorrangsbord, de andere helft een stop bord en opnieuw kregen de proefpersonen een
vragenlijst met de vraag: is een andere auto voorbij gereden terwijl de andere auto gestopt
was bij de stopbord/voorrangsbord? De vragenlijsten waren voor de ene helft van de
proefpersonen misleidend. De kans op het juiste antwoord werd dus kleiner dan 50%.
Conclusie: men kan het geheugen van getuigen veranderen door achteraf, na de gebeurtenis die zij
zich herinneren, misleidende informatie te geven. Dat is relevant voor de praktijk, want getuigen
staan nadat zij een misdrijf zagen onder veel invloeden: praten met andere getuigen, lezen de krant,
worden niet altijd correct ondervraagd door de politie. Je kan getuigen ook dingen laten herinneren
die er niet waren.
Veranderingsblindheid
Deur-studie van Simon en Levin.
Het experimentele opzet zonder randomisering, controle groep en voor- en nameting.
- Onderzocht of de proefpersonen een persoonswisseling opmerken nadat het visuele contact
met de gesprekspartner is onderbroken.
De deurstudie was een veldonderzoek naar veranderingsblindheid. Veranderingsblindheid kan
optreden bij ooggetuigen van een delict. Veranderingsblindheid komt vooral voor als mensen
informatie op een oppervlakkige wijze encoderen. Dit verklaart waarom onschuldigen die toevallig
op een plaats delict aanwezig zijn, door ooggetuigen soms als daders worden gehouden.
Het experiment is als volgt: op het moment dat de deur het zicht weg neemt bij een persoon, wisselt
de andere persoon van plaats met één van de mannen die de deur droeg. Nadat de nieuwe man, die
qua lengte, postuur en stem niet overeenkomen met de andere man, na een tijdje aan de persoon
vroeg waarmee hij in gesprek was of er iets anders was, had de helft van de personen de
persoonsverwisseling niet opgemerkt.
Valse bekentenissen.
Alt-Toets experiment van Kassin en Kiechel.
Dit experiment liet in een laboratorium setting zien onder welke omstandigheden mensen overgaan
tot het bekennen van iets dat zij niet hebben gedaan. drie punten:
1. Het experiment was erop gericht om te onderzoeken of en in welke mate mensen iets
bekennen dat zij niet hebben gedaan ten gevolge van de confrontatie met vals bewijs.
2. Het experiment onderzocht in welke mate valse bekenners die bekentenis ook internaliseren
(geloven dat waarvan zij worden beschuldigd ook gebeurd is).
3. Er werd gevraagd aan de valse bekenners of men zich details kon herinneren van hoe en
waarom men de Alt-toets had aangeraakt.
Het experiment: proefpersonen moesten in koppels van twee een reactietijdentest uitvoeren, waarbij
de ene persoon letters opnoemde en de ander die letters in toetste. Bij de helft van de groep was het
voorleestempo laag en bij de ander een hoog tempo. Eén lid van het koppel van een medewerker
van de onderzoeker (confederate). De proefpersonen kregen duidelijke instructie: de alt-toets mag
niet worden aangeraakt, omdat het computer systeem dan zou crashen. Wanneer de werkelijke
, persoon aan de beurt was, liep het computersysteem vast en kwam de gestreste onderzoeksleider
binnen en beschuldigde de proefpersoon van het aanraken van de alt-toets. Daarop vroeg de
onderzoeksleider aan de conferate of zij iets had gezien. In de helft van de gevallen had de
confederate niks gezien, maar in de andere helft van de gevallen claimde de confederate dat de
proefpersoon de alt-toets had ingedrukt = interventie: wel bewijs/geen bewijs. Indien de
proefpersoon toegaf dat hij de alt-toets had ingedrukt, werd gevraagd een schuldbekentenis te
ondertekenen. na afloop werden de proefpersoon door een andere confederate benaderd met de
vraag wat er was gebeurd, zo kon worden achterhaald of de proefpersonen ook geloofden dat zij de
alt-toets hadden ingedrukt.
o 69% van de proefpersonen bekende
In de variantie met het langzame tempo bekende 35% zonder confrontatie
met het valse bewijs, terwijl 89% bekende na een confrontatie met vals
bewijs.
In de variantie met hoog tempo bekende 65% zonder vals bewijs en 100% na
confrontatie met de valse verklaring van de confederate. Het effect van vals
bewijs op de bekentenis is duidelijk.
o 28% van de proefpersonen geloofde zelf ook
Langzaam tempo: 0% geloofde het, 44% geloofde het wel met vals bewijs
conditie.
Hoog tempo: zonder bewijs geloofde 12% het, met vals bewijs geloofde 65%
het.
o 9% wist alle details van dat voorval erbij te verzinnen.
Hoog tempo met vals bewijs laten zien verzon 35% van de proefpersonen
details over het aanraken van de alt-toets.
Relevantie van het experiment: in het rechtssysteem waarin het geoorloofd is om een bekentenis uit
een verdachte te persen met vergaande verhoortechnieken, dient men erop bedacht zijn dat er een
verhoogd risico is op valse bekentenissen. Verhoortechnieken zoals de Reid-techniek leveren meer
bekentenissen op van schuldige verdachte door het aandragen van vals bewijs. Maar dan leidt ook
tot disproportioneel meer valse bekentenissen. Het uitsluitend confronteren met vals belastend
bewijs leidt tot een toename van valse bekentenissen.
Kritiek op het experiment: voornamelijk kritiek op de externe validiteit (generaliseerbaarheid) in de
zin dat valse bekentenissen in het experiment niet realistisch is t.o.v. bekentenissen in werkelijke
strafzaken. Er stond bijv. weinig op het spel voor deelnemers. En de te bekennen handeling (alt-toets
aanraken) is een ander handeling dan het plegen van een ernstig misdrijf. bekennen van het
aanraken van een toets is gemakkelijker en vrijblijvender dan het bekennen van een misdrijf.
Commissies in het geheugen: crashing memories en het probleem van source monitoring
Het geheugen over waarnemingen met informatie die achteraf wordt gegeven of die door de
woordkeuze in een vraag verscholen ligt, een herinnering kan worden gekleurd of aangepast. Maar is
het mogelijk om het geheugen van getuigen dusdanig aan te passen dat de getuigen informatie die zij
niet uit eigen waarneming konden hebben, tot een authentieke herinnering zouden bombarderen?
experiment van Crombag, Wagenaar en van Koppen: na het neerstorten van het El AL Boeing 747
vrachtvliegtuig vroegen de onderzoekers een paar maanden later aan artsen en juristen of zij
opnames hadden gezien van het neerstorten. De opnames bestonden niet en daarom wisten ze ook
zeker dat datgene wat er eventueel zou worden gerapporteerd als eigen herinnering van het zien van
die beelden, een pseudo-herinnering moest zijn = ground truth.
Een andere vraag die zij stelden, was hoelang het duurde voordat het vuur begon na de crash. 55%
beweerde dat ze de opnames hadden gezien en 82% van hen dacht dat het vuur direct daarna begon.
In het tweede experiment stelden ze dezelfde vragen, maar met meer detailvragen. 66% zeiden dat
ze de opnames hadden gezien.