Soortvorming &
Fylogenetische reconstructie
(hfdst. 22, 24)
class evolutionaire biolgie en biodiversiteit
Micro-evolutie = veranderingen in allelfrequentie in een populatie, processen
die soortvorming veroorzaken
Macro-evolutie = brede evolutionaire patronen boven het soortniveau
Soorten
= menselijk construct
→In de natuur vind je eerder een gradient
nadruk scheiding soorten:
Biologische soortconcept (BSC)
→groepen van daadwerkelijk of potentieel kruisende populaties
→Productie van levensvatbare, vruchtbare nakomelingen
→Reproductief geïsoleerd van individuen van andere populaties
Gene flow tussen populaties kan één soort genetisch bij elkaar houden
→Voor soortvorming is reproductieve isolatie cruciaal
problemen:
→Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in ruimte en tijd (fossielen)
→ Kan niet gebruikt worden bij asexuele voortplanting
→horizontale genoverdracht
Soortvorming & Fylogenetische reconstructie (hfdst. 22, 24) 1
, nadruk overeenkomsten binnen soorten:
Morfologische soortenconcept
→definieert een soort op structurele kenmerken
→van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→ subjectieve criteria individuen van verschillende soorten kunnen wel op
elkaar lijken (mimicry, convergente evolutie) of van de zelfde soort kunnen niet
op elkaar lijken (man-vrouw zoals de pauw, jong-oud zoals insecten larve en
adult)
Ecologischesoortconcept:
→ onderscheidt op ecologische niche
→van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→Benadrukt de rol van disruptieve selectie
fylogenetisch soortconcept:
→kleinste groep individuen op een fylogenetische boom die afstamt van een
gemeenschappelijke voorouder
→Herkenbaar aan unieke afgeleide eigenschappen (lengte dijbeen, DNA
sequentie)
→Van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→onduidelijk hoe groot moet het verschil zijn voor een aparte soort
Soortvorming
→ allopatrie = geografisch, eigenschappen van een omgeving die gene flow
verhinderen
1. Door
verspreiding, waar individuen een nieuwe omgeving koloniseren, zoals een
eiland
2 .Door
vicariantie, waar een geografische barrière ontstaat binnen een populatie
→
sympratie = reproductief, eigenschappen van organismen voorkomen
voortplanting
Soortvorming & Fylogenetische reconstructie (hfdst. 22, 24) 2
Fylogenetische reconstructie
(hfdst. 22, 24)
class evolutionaire biolgie en biodiversiteit
Micro-evolutie = veranderingen in allelfrequentie in een populatie, processen
die soortvorming veroorzaken
Macro-evolutie = brede evolutionaire patronen boven het soortniveau
Soorten
= menselijk construct
→In de natuur vind je eerder een gradient
nadruk scheiding soorten:
Biologische soortconcept (BSC)
→groepen van daadwerkelijk of potentieel kruisende populaties
→Productie van levensvatbare, vruchtbare nakomelingen
→Reproductief geïsoleerd van individuen van andere populaties
Gene flow tussen populaties kan één soort genetisch bij elkaar houden
→Voor soortvorming is reproductieve isolatie cruciaal
problemen:
→Niet goed toetsbaar als soorten niet overlappen in ruimte en tijd (fossielen)
→ Kan niet gebruikt worden bij asexuele voortplanting
→horizontale genoverdracht
Soortvorming & Fylogenetische reconstructie (hfdst. 22, 24) 1
, nadruk overeenkomsten binnen soorten:
Morfologische soortenconcept
→definieert een soort op structurele kenmerken
→van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→ subjectieve criteria individuen van verschillende soorten kunnen wel op
elkaar lijken (mimicry, convergente evolutie) of van de zelfde soort kunnen niet
op elkaar lijken (man-vrouw zoals de pauw, jong-oud zoals insecten larve en
adult)
Ecologischesoortconcept:
→ onderscheidt op ecologische niche
→van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→Benadrukt de rol van disruptieve selectie
fylogenetisch soortconcept:
→kleinste groep individuen op een fylogenetische boom die afstamt van een
gemeenschappelijke voorouder
→Herkenbaar aan unieke afgeleide eigenschappen (lengte dijbeen, DNA
sequentie)
→Van toepassing op seksuele en aseksuele soorten
→onduidelijk hoe groot moet het verschil zijn voor een aparte soort
Soortvorming
→ allopatrie = geografisch, eigenschappen van een omgeving die gene flow
verhinderen
1. Door
verspreiding, waar individuen een nieuwe omgeving koloniseren, zoals een
eiland
2 .Door
vicariantie, waar een geografische barrière ontstaat binnen een populatie
→
sympratie = reproductief, eigenschappen van organismen voorkomen
voortplanting
Soortvorming & Fylogenetische reconstructie (hfdst. 22, 24) 2