Psychologie Utrecht
Mind: het brein en zijn activiteiten, waaronder gedachten, emotie en gedrag.
Psychologie: de wetenschappelijke studie van gedrag, mentale processen en
breinfuncties.
Introspectie: een persoonlijke observatie van je eigen gedachten, gevoelens en gedrag.
Filosofie: de discipline die systematische basisconcepten onderzoekt, inclusief de bron
van kennis
Natuurwetenschappen: wetenschappen die de fysieke en biologische gebeurtenissen
die plaatsvinden in de natuur bestuderen.
Structuralisme: een benadering waarbij het brein opgedeeld wordt in de kleinste
elementen van mentale ervaring.
Gestaltpsychologie: een benadering die ervaring zag als iets dat anders is dan de som
van zijn elementen.
Functionalisme: een benadering die gedrag zag als doelgericht en bijdragend aan over
Humanistische psychologie: Een benadering die mensen als inherent goed beschouwde
en gemotiveerd om te leren en te verbeteren.
Behaviorisme: Een benadering die de studie en zorgvuldige meting van observeerbaar
gedrag benadrukt.
Persoonlijkheid: De karakteristieke manier van denken, voelen en gedragen van een
individu.
Monisme: het idee dat het universum uit één soort wezen bestaat.
Dualisme: het idee dat de geest een soort substantie is en materie een andere.
Psychodynamische theorie: ideeën over het onderbewustzijn, de rol van ervaring bij
abnormaal gedrag en nieuwe benaderingen van therapie vormen een goede basis voor
later onderzoek naar persoonlijkheid en theorie.
Biologische psychologie: psychologisch perspectief dat zich focust op de relatie tussen
het brein en het gedrag; processen, genetica, anatomie, biochemie.
, Evolutionaire psychologie: psychologisch perspectief dat onderzoekt hoe de fysieke
structuur en het gedrag zijn gevormd door hun bijdrage aan overleving en voortplanting.
Cognitieve psychologie: psychologisch perspectief dat informatieverwerking, denken,
redeneren en probleemoplossing onderzoekt.
Ontwikkelingspsychologie: psychologisch perspectief dat de normale
gedragsveranderingen onderzoekt die gedurende het leven plaatsvinden.
Sociale psychologie: psychologisch perspectief dat de eNecten van de sociale omgeving
op het gedrag van individuen onderzoekt.
Klinische psychologie: psychologisch perspectief dat abnormaal gedrag uitlegt,
definieert en behandelt.
Mind-brain/mind-body problem: hoe en waarom sommige breinactiviteiten zijn
Ontogenetische verklaring: beschrijft hoe iets ontwikkelt
Evolutionaire verklaring: reconstrueert de evolutionaire geschiedenis van een structuur
of gedrag
Fysiologische verklaring: relateert gedrag aan activiteit in het brein en andere organen
Functionele verklaring : beschrijft waarom een structuur of het gedrag zo is ontwikkeld
Neuronen: zenuwcellen die informatie ontvangen en het door geven aan andere cellen.
Ribosomen: structuren die nieuwe eiwitmoleculen maken
Endoplasmatisch reticulum: netwerk van dunne draden die nieuwe eiwitten verplaatsen
naar een andere locatie.
Mitochondriën: zorgen door stofwisselingsactiviteit voor energie in de cel
Motorische neuronen: ontvangt excitatie via dendrieten en leidt impulsen via axonen
naar de spieren
Sensorische neuronen: erg gevoelig aan een kant voor bepaalde stimulus (tast)
Dendriet spines: vertakkingen van de dendrieten waarmee de oppervlakte van de
synapsen wordt vergroot
Axon: dunne vezel die impulsen doorgeeft aan andere neuronen, organen of spieren
ANerent neuron: brengt informatie over naar een structuur toe
ENerent neuron: brengt informatie weg van een structuur.
Inter/intrinsic neuron: dendrieten en axonen zijn helemaal opgenomen in 1 structuur