Weefsel = een groep gelijksoortige cellen die morfologisch en functioneel een
eenheid in het menselijk lichaam vormen.
Cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme
Anatomie = bouw
Fysiologie = functioneren
1. Cel
Celmembraan
Bestaat uit een dubbele laag
fosfolipiden met eiwitten erin. Met
hydrofiele kop en hydrofobe staart
Functies:
● Vormt scheiding tussen intra- en
extracellulaire ruimte
● Selectief in het doorlaten van stoffen
● Passief (kost geen energie: diffusie en osmose) en actief (kost energie)
membraantransport
Er moet altijd een evenwicht zijn binnen en buiten de cel
Celkern (nucleus)
Heeft een celmembraan met poriën zodat het doorlaatbaar is voor mRNA
Bevat:
Nucleulus -> daar worden ribosomen gemaakt
DNA= desoxyribonucleïnezuur -> in een cel in
rustfase (geen deling) = chromatine
Éen chromosoom bestaat uit twee chromatiden die
zijn uitgebouwd uit DNA.
, Functies:
1. Replicatie (synthese van DNA voor celdeling)
2. Transcriptie (DNA -> mRNA)
3. Translatie (door ribosomen in RER) van mRNA naar eiwit
Van elk chromosoom zijn er twee (een van de moeder en een van de vader) =
homologe chromosomen
Diploid = 2n
Haploid = n
Gen = onderdeel van chromosoom voor bepaalde eigenschap; deel van DNA die
code heeft voor eiwit.
Allel = een van de verschillende varianten van een bepaald gen
Bijv. Gen: haarkleur, allel: zwart
- ATG is het startsignaal voor een eiwit
- Elke drie basen coderen voor éen aminozuur
- Een keten van 50 aminozuren (polypeptide) vormen een eiwit
Genen = Alle stukken DNA in een chromosoom die coderen voor een eiwit.
t-RNA: Het transfer RNA bevindt zich in het cytoplasma. Het vervoert de
aminozuren naar de ribosomen die verantwoordelijk zijn voor de eiwitsynthese.
Het t-RNA bevat een codon bestaande uit drie nucleotiden, waarmee het t-RNA
zich kan binden aan het juiste stukje van het m-RNA.