Module 6 de aard van kwantitatief onderzoek
1 Stappen in het kwantitatief onderzoeksproces en het meten
De rol van theorie: nadruk op deductie
Metingen van concepten
Concepten = labels van verschijnselen, dingen die we zien
Stap 1: conceptualisering = het omschrijven/ definiëren van een concept
Stap 2: operationalisering = het meetbaar maken van abstracte concepten en begrippen.
Omschrijving van een specifieke, concrete procedure om een concept te meten
- De regels opstellen om scores (waarden/attributen/getallen) toe te kennen aan
variabelen
- Meten doe je per concept. Je meet concepten, niet hypothesen (hypothesen kunnen
meerdere concepten bevatten
Wat zijn indicatoren?
Sommige concepten kunnen we met een directe maat meten
Measure (maat/meting): verwijst naar een hoeveelheid
Andere concepten worden met meerdere indicatoren gemeten
Indicator = een aanwijzing, een indirecte maat
Metingen van attitudes = likert-schaal: meerdere stellingen die je gebruikt om de houding/attitude
van iemand ten aanzien van een fenomeen te meten.
Waarom meerdere items?
1. Een indicator zou sommige individuen onjuist kunnen classificeren; verkeerd invullen
2. Een indicator verwijst meestal slechts naar een gedeelte van het onderliggende concept
3. Met meerdere indicatoren kun je een meer gedetailleerd onderscheid maken tussen
individuen.
Verschillende dimensies van een concept?
Verschillende items mag je niet zomaar bij elkaar optellen
, 2 betrouwbaarheid en validiteit van meten van concepten
Betrouwbaarheid en validiteit zijn eigenschappen van een meetinstrument: hoe goed is dit
meetinstrument?
Betrouwbaarheid (consistentie) = als je de meting herhaalt, in hoeverre levert dat hetzelfde resultaat
op?
1. Stabiliteit: is er een consistentie door de tijd?
- Controleren door; test-hertest methode
2. Interne consistentie: is er samenhang tussen de items?
- Controleren door; split-half methode
3. Inter-observer consistentie: in hoeverre zijn codeurs het met elkaar eens?
Validiteit (geldigheid) = in hoeverre heb je de echte betekenis van het verschijnsel gemeten?
Geldigheid van de meting kan niet direct geobserveerd of vastgesteld worden.
Vier manieren om de validiteit te controleren:
1. Indruksvaliditeit: beoordelingen door andere onderzoekers, consensus
2. Criteriumvaliditeit: heeft de test een samenhang met een bepaald criterium (dat relevant is
voor het concept)
3. Begripsvaliditeit: sluiten de onderzoeksresultaten aan bij theorie?
4. Convergerend: samenhang met bestaande metingen van hetzelfde concept
Als een meting onbetrouwbaar is kan die noot geldig zijn, maar een invalide meting kan wel
betrouwbaar zijn.
3 causaliteit, generaliseerbaarheid en repliceerbaarheid
Causaliteit: ‘’say why things are the way they are’’
Theorieën specificeren hoe de relaties tussen concepten zijn, en waarom die relaties er zijn
Theorieën specificeren dus causale relaties: hoe en waarom leidt de ene gebeurtenis tot een
andere?
Dit leidt tot een hypothese: de verwachte relatie tussen twee concepten
Deze relaties kun je in een causaal model weergeven
Mediating effect (mediëren, bemiddelen, tussenbeide komen): verklaren waarom er een causaal
effect is