VEENVORMING
Veen bestaat uit een opeenhoping van afgestorven plantenresten in een waterrijk milieu.
Eerste veenvorming in Nederland na de jongste ijstijd door het herstel van de begroeiing en
de stijging van de zeespiegel.
Hogere waterstand ==> Vernatting lagere delen van het zwak golvende pleistocene landschap ==>
Plantenresten konden zich ophopen tot veen.
Zolang de begroeiing werd beïnvloed door grondwater en hoge waterstanden van beken en rivieren,
ontstond er voedselrijk laagveen.
Op hogere plaatsen/ opkroop tegen hellingen ==> veenmos ( Sphagnum ) ==> Er ontstond
voedselarm veenmosveen ( Hoogveen )
Hoogveen bestaat voor 90% uit water, dus het kan erg hoog worden. Hiertussen liggen natuurlijke
meren.
Uitsluitend uit regenwater en daardoor uitsluitend uit humeus materiaal bestaat.
o Erg geschikt turfwinning.
o Door ontbreken onzuiverheden is hoogveenturf erg licht en produceert het
nauwelijks as bij het verbranden.
o Laagveen niet door aanvoer zand en klei deeltjes van rivieren.
Laagveen dus beter geschikt voor agrarisch gebruik.
DE KUSTVENEN
Noord-Nederland:
Water in waddengebied twee keer per dag ver het waddengebied in. ==> Kwelders begroeid
met zoutminnende vegetatie.
Verder landinwaarts ==> Verzoet milieu door neerslagoverschot.
In het lage overgangsgebied tussen de kwelders en de pleistocene zandgronden vormde zich
veen.
Wanneer er meer water door een zeegat kwam, drong er meer zeewater het waddengebied binnen
en werden de randen van het veen overdekt met klei. ==> Kwelders breiden zich uit ten koste van
het veengebied.
Wanneer het zeegat verzandde, breidde het veen zich uit ten koste van het kweldergebied.
Kustgebied West-Nederland in Romeinse tijd = Aaneengesloten strandwallen, onderbroken door een
paar mondingen van rivieren.
Achter dit gebied ==> Uitgebreid veengebied.
Veenmos ==> Werd veenkoepels.
In tijden dat het water verder het land indrong, werd er langs de randen van het veen een kleilaag
afgezet.
Zoute zeewater + veen = Zwavelvorming.
o Ongeschikt voor turf.
Vervening bleef ook achterwegen wanneer de kleilaag op het veen te dik was.
Weggraven onderliggende veenlagen was dus niet lonend.
DE EERSTE BEWONING
Veengebieden = Een van de jongste bewoonde delen van Europa.
Alleen onder druk van omstandigheden gingen mensen hier wonen.
, Agrarisch veenlandschap
Door graven van sloten ==> Ontwatering van veen verbeterd.
Veehouderij ==> Voornaamste bestaansbron + akkerbouw.
Nederzettingen die eindigen op -more ( moor = moer = veen )
Voor ruilverkaveling werd het agrarisch veenlandschap in de noordelijke provincies gekenmerkt door
een lineaire bebouwing en een lange, doorgaande strokenverkaveling.
Dus bij ontginning moest zijn samengewerkt.
WEST-NEDERLAND
Stuifmeelonderzoek toont aan dat er akkerbouw heeft plaatsgevonden op het veen.
Grondverbetering:
Men heeft kalkhoudende klei uit de ondergrond
naar boven gehaald en over het land verspreid.
o De gaten die ontstonden vulde men weer
op met het uitgegeven veen. ( Daliegaten )
In Noord-Nederland vind je soms strokenverkaveling,
maar vaak werd er onderling niet samengewerkt en vind
je verbrokkelde percelen.
Cope = Regelmatige veenontginning die onder
landheerlijke leiding tot stand is gekomen.
Plaatsnamen met -cope komen dus in Zuid-
Holland en Utrecht veelvuldig voor. ( Boskoop,
Willeskop )
Cope-ontginningen worden gekenmerkt door een vooraf vastgestelde bedrijfsgrootte. Waar
de ontginningsbasis en achtergrens parallel aan elkaar konden worden uitgezet, ontstond een
zeer regelmatige strokenverkaveling.
Periode 950 tot 1300 = Grote Ontginning
Onderdeel van een veel omvangrijker expansiebeweging.
o Grote schaal ontbossing, venen ontwaterd en kleigebieden bedijkt.
Om de bevolking van voedsel te voorzien.
MAAIVELDDALING EN LANDVERLIES
Kustgebieden = Grote delen van het veen verdwenen ( Zuid-westelijke delta, westelijke Waddenzee )
Menselijke en natuurlijke factoren hebben bij dat landverlies een rol gespeeld.
Om gebruik te maken van het landschap moest de overmaat aan neerslag sneller afgevoerd worden.
==> Sloten loodrecht op riviertjes aangelegd ==> Min of meer strookverkaveling. ( Kenmerkend voor
agrarisch veenlandschap )
Door verlaging waterstond bovenzijde van het veen ==> Verdroogde bovenste laag veen ==> Men en
dier konden er overheen lopen.
Twee processen:
Veenoxidatie
Dieper gelegen lagen worden samengedrukt ( zetting )
Hierdoor daalt het maaiveld en ontwaterd veengebieden, wateroverlast als gevolg.