Sociologie:
HOOFDSTUK 1
Groep: Verzameling van onderling verbonden mensen die een besef van een
gemeenschappelijke identiteit, een ‘wij’ gevoel kennen.
Sociale netwerken: Te onderscheiden geheel van relaties tussen actoren (individu en
groepen)
Sociale positie: Wie staat waar binnen de groep
Verklaren kent drie componenten
1 Theorievorming
2 Empirisch onderzoek
3 Toepassing
Theorievorming: Dit houdt in dat generaliserende uitspraken over het sociale leven worden
gedaan die met elkaar in systematisch verband worden geplaatst.
Empirisch onderzoek: Ze leveren problemen, de te toetsen hypothesen en de begrippen
waarmee de gegeven worden geïnterpreteerd.
Toepassing: Verontrusting over maatschappelijke ontwikkelingen, de went tot gematigd
hervormen of radicaal veranderen, het streven naar de behartiging van bepaalde belangen,
de behoefte aan handhaving van orde, al dergelijke motieven kunnen bij
sociologiebeoefening een rol spelen.
Sociaal: Staat voor alles wat zich tussen mensen afspeelt
Cultuur: Het aangeleerde gedragsrepertoire dat mensen in een bepaalde groep op
samenleving gemeen hebben.
Interdependentie: Onderlinge afhankelijkheid
Interactie: Het reageren van mensen op elkaar
Interactie kan non-verbaal en verbaal
Directe en face to face interactie
Sociaal handelen: Handen dat georiënteerd is op het gedrag van andere mensen.
Gewoonte vorming: Overeenkomstige kenmerken binnen de groep
Gedragsregels: Regels worden door de groep bepaald
Socialisatie: Overdragen van cultuur aan nieuwkomers (gedragsregels)
Interne controle: Aanleren van geweten
, Externe controle: Straffen en belonen
Internalisering: Uit jezelf regels navolgen
Nature: Aanleg, alle kennis is reeds aanwezig
Nurture: Kennis wordt aangeleerd
Asymmetrische verhoudingen: De ene persoon is meer afhankelijk dan de ander.
4 typen bindingen afhankelijkheid
1. Economische bindingen (Levering goederen/producten)
2. Cognitieve bindingen (Kennisoverdracht)
3. Politieke bindingen (Dreiging met en het gebruikmaken van geweld)
4. Affectieve bindingen (gevoelens)
Symbolen: Tekens die verwijzen naar iets anders
Cultuurbegrip: Gemeenschappelijkheid van mensen binnen een samenleving
Interactiebegrip: Waarneembare aspecten in het sociale leven (microniveau)
Interdependentiebegrip: Sociale relaties met een grote omvang (macroniveau)
Wereldsamenleving: De grootste sociale eenheid waartoe mensen behoren
Hybridisering: het lokale, het eigene wordt gecultiveerd, maar daarbij worden
cultuurelementen van elders selectief opgenomen en verwerkt tot iets nieuws.
HOOFDSTUK 1
Groep: Verzameling van onderling verbonden mensen die een besef van een
gemeenschappelijke identiteit, een ‘wij’ gevoel kennen.
Sociale netwerken: Te onderscheiden geheel van relaties tussen actoren (individu en
groepen)
Sociale positie: Wie staat waar binnen de groep
Verklaren kent drie componenten
1 Theorievorming
2 Empirisch onderzoek
3 Toepassing
Theorievorming: Dit houdt in dat generaliserende uitspraken over het sociale leven worden
gedaan die met elkaar in systematisch verband worden geplaatst.
Empirisch onderzoek: Ze leveren problemen, de te toetsen hypothesen en de begrippen
waarmee de gegeven worden geïnterpreteerd.
Toepassing: Verontrusting over maatschappelijke ontwikkelingen, de went tot gematigd
hervormen of radicaal veranderen, het streven naar de behartiging van bepaalde belangen,
de behoefte aan handhaving van orde, al dergelijke motieven kunnen bij
sociologiebeoefening een rol spelen.
Sociaal: Staat voor alles wat zich tussen mensen afspeelt
Cultuur: Het aangeleerde gedragsrepertoire dat mensen in een bepaalde groep op
samenleving gemeen hebben.
Interdependentie: Onderlinge afhankelijkheid
Interactie: Het reageren van mensen op elkaar
Interactie kan non-verbaal en verbaal
Directe en face to face interactie
Sociaal handelen: Handen dat georiënteerd is op het gedrag van andere mensen.
Gewoonte vorming: Overeenkomstige kenmerken binnen de groep
Gedragsregels: Regels worden door de groep bepaald
Socialisatie: Overdragen van cultuur aan nieuwkomers (gedragsregels)
Interne controle: Aanleren van geweten
, Externe controle: Straffen en belonen
Internalisering: Uit jezelf regels navolgen
Nature: Aanleg, alle kennis is reeds aanwezig
Nurture: Kennis wordt aangeleerd
Asymmetrische verhoudingen: De ene persoon is meer afhankelijk dan de ander.
4 typen bindingen afhankelijkheid
1. Economische bindingen (Levering goederen/producten)
2. Cognitieve bindingen (Kennisoverdracht)
3. Politieke bindingen (Dreiging met en het gebruikmaken van geweld)
4. Affectieve bindingen (gevoelens)
Symbolen: Tekens die verwijzen naar iets anders
Cultuurbegrip: Gemeenschappelijkheid van mensen binnen een samenleving
Interactiebegrip: Waarneembare aspecten in het sociale leven (microniveau)
Interdependentiebegrip: Sociale relaties met een grote omvang (macroniveau)
Wereldsamenleving: De grootste sociale eenheid waartoe mensen behoren
Hybridisering: het lokale, het eigene wordt gecultiveerd, maar daarbij worden
cultuurelementen van elders selectief opgenomen en verwerkt tot iets nieuws.