HET NATUURLIJKE LANDSCHAP
OEVERWALLEN EN KOMMEN
Als rivieren overstromen en het water buiten zijn oevers treed, zal de stroomsnelheid afnemen en
sediment afzetten. Hierdoor ontstaan oeverwallen.
Grovere deeltjes.
In de kom ( verder weg van de oeverwallen ) blijft het water langer liggen en kan fijner materiaal
bezinken.
Hier bestaat de bodem uit zware klei.
De beide oeverwallen en de bedding van een rivier worden samen de stroomrug genoemd.
Door voortdurende afzetting zand en klei hoogt de rivier zijn stroomrug steeds verder op.
Fossiele stroomruggen = Als de rivier een ander koers kreeg en de oeverwallen als ruggen in het
landschap bleven staan.
Zo ontstond een gebied met relatief hoge oeverwallen en fossiele stroomruggen en laaggelegen
kommen.
In het oostelijk deel zijn de kommen klein en worden richting het westen steeds groter.
DE RIVIEREN
Riviertakken verdwijnen en er vormen nieuwe.
DE MENS IN HET LANDSCHAP
BEWONING EN ONTGINNING
Vruchtbare gronden + aanwezigheid water + gevarieerd landschap = Gunstige vestigingsfactoren.
Men koos de hoogste plekken van het landschap om op te wonen.
Oeverwallen huidige rivieren.
Donken = Pleistocene rivierduinen die zo hoog waren dat ze niet door latere afzettingen bedekt zijn.
Toen de Romeinen onze contreien verlieten, nam de bevolking af.
Utrecht is zo'n stad dat toch altijd bewoont is gebleven. Het heeft een Latijnse naam.
Vroege middeleeuwen = Bevolking nam toe.
Utrecht en Dorestad waren belangrijke handelssteden.
Buiten steden ontwikkelden de dorpen zich in deze tijd.
Boeren hebben sporen achtergelaten:
Onregelmatige, blokvormige percelering op de hoge gronden.
Dorpen, boerderijen en akkers geconcentreerd op oeverwallen en fossiele stroomruggen.
Kommen werden extensief gebruikt als hooiland of als gemeenschappelijke weide.
Door bevolkingsgroei ging men ook gebruik maken van de minder geschikte gronden en zetten dat
loodrecht op de oeverwallen.
Goede afwatering werd verkregen.
Introductie zware keerploeg belangrijk.