Wat kan een pasgeboren baby allemaal al?
Ademen, reflexen (zuig, slik, zoek), reuk/ smaakzin, zicht (scherpe
contrasten, kleuren) in ontwikkeling en horen (schrikken van harde
geluiden) in ontwikkeling.
Vier principes van groei
Deze principes vormen een verklaring voor de patronen aan de hand
waarvan onze groei zich voltrekt:
Cefalocaudale principe = groei vormt een patroon dat begint bij
het hoofd en de bovenste lichaamsdelen en zich uitstrekt naar de
rest van het lichaam.
Heeft betrekking op de richting van de groei, ‘van hoofd tot staart’.
Eerdere groei van hersenen (al in de baarmoeder) dan bijv. voeten.
Vandaar eerder kunnen kijken dan lopen.
Groei volgt een patroon.
Proximodistaal principe = de ontwikkeling voltrekt zich vanuit het
centrum van ons lichaam naar buiten toe.
Van centrum naar buiten.
Eerst romp, dan armen en benen, daarna kunnen de vingers en
tenen groeien.
Principe van hiërarchische integratie = eerst moeten de
eenvoudige vaardigheden zich ontwikkelen voordat de complexere
vaardigheden kunnen worden uitgevoerd.
Afzonderlijke en onafhankelijk van elkaar.
Later geïntegreerd in complexe vaardigheden (bijvoorbeeld: iets
met de hand grijpen is pas uitvoerbaar als het kind heeft geleerd
hoe het de bewegingen van de vingers moet beheersen).
Principe van de onafhankelijkheid van systemen =
verschillende lichaamssystemen kennen een verschillend
groeitempo. Systemen kunnen zich onafhankelijk van elkaar
ontwikkelen.
Tempo en timing van de groei van het ene deel is onafhankelijk
van de groei van andere onderdelen.
,Het zenuwstelsel en de hersenen
Zenuwstelsel = verzamelnaam voor alle zenuwen in het lichaam en de
hersenen.
Neuronen = de basiscellen van het zenuwstelsel.
Onderscheidt met andere cellen ze kunnen communiceren met andere
cellen.
Dendrieten = cluster van vertakkingen aan de neuron, die
boodschappen van andere cellen ontvangen.
Neurotransmitters = stof die het mogelijk maakt dat
neuronen met elkaar kunnen communiceren.
Synaps = de spleet tussen neuronen.
Neuronen die geen verbindingen vormen met andere neuronen
terwijl het kind steeds meer ervaringen opdoet, worden
overbodig. Uiteindelijk sterven ze af, waardoor het zenuwstelsel
efficiënter wordt. = snoeien van synapsen.
Myeline = een vettige substantie die de neuronen beschermt en de
overdracht van zenuwsignalen versnelt.
Ontwikkeling van de hersenen
Plasticiteit = vermogen tot aanpassing en verandering van ontwikkelde
structuren of gedragspatronen als gevolg van ervaringen.
- Taken van hersendelen die niet goed functioneren kunnen
overgenomen worden door andere delen: kan lijden tot (bijna
altijd) volledig herstel van de hersenschade.
Helpend voor een goede groei: knuffelen, praten, zingen, spelen,
vasthouden en voorlezen.
Ritmen en stadia
De harmonie tussen de verschillende activiteiten van een baby komt met
name tot stand door de ontwikkeling van verschillende lichaamsritmen.
Ritmen = zich herhalende, cyclische gedragspatronen.
- Voorbeelden: overgang van wakker naar slapen; ademhalings- en
zuigpatronen.
Gedragstoestand = de mate van bewustzijn van een baby tijdens
innerlijke en externe stimulatie.
Een van de belangrijkste lichaamsritmen.
Belang van slapen
Rapid eye movement (REM)-slaap = de periode tijdens de slaap van
oudere kinderen en volwassenen die geassocieerd wordt met dromen
, Functie REM-slaap = activering hersenen (groei); autostimulatie
(zenuwstelsel)
Functie non-REM-slaap = herstel