2 Grote rivieren in de Lage Landen
De hoofdvraag in dit hoofdstuk is:
Wat zijn de oorzaken en de gevolgen van overstromingsrisico’s van de
grote rivieren, van wateroverlast en watertekorten en met welke
maatregelen kunnen deze problemen worden aangepakt?
2.1 Brede rivieren door oneindig laagland
Deelvragen
1 Wat zijn de kenmerkende eigenschappen van de Rijn en de Maas
en hun stroomgebied?
2 Hoe beïnvloeden de eigenschappen van het stroomgebied de
waterafvoer?
3 Welke gevolgen hadden de ruimtelijke aanpassingen in de rivieren
voor de waterafvoer en de bevaarbaarheid?
Laaglandrivieren
Onze grote rivieren komen ► Marsman verwijst naar brede rivieren in laagland, met dus een
vanuit het buitenland. lage stroomsnelheid. Rijn, Maas, Overijsselse Vecht en Eems stromen
De IJssel is een zijtak van de vanuit buurlanden binnen. De Gelderse IJssel is een zijtak van de Rijn.
Rijn. ● Eems en Westerschelde zijn estuaria. Een klein deel van Noordoost-
Nederland maakt deel uit van het stroomgebied van de Duitse Ems.
estuarium De Scheldedelta valt gedeeltelijk onder het stroomgebied van de
Schelde.
stroomgebied ● Een stroomgebied is het gebied dat afwatert op een bepaalde
stroomstelsel rivier. Een stroomstelsel omvat de hoofdstroom plus zijrivieren en
zijtakken.
De Rijn: de slagader van West-Europa
► Twee zijrivieren van de Rijn ontspringen in de Zwitserse Alpen. De
gletsjerrivier Rijn is bij de oorsprong een gletsjerrivier, maar wordt al snel een
gemengde rivier gemengde rivier. Twee derde van rivier en stroomgebied ligt in
Duitsland.
waterscheiding ● Een waterscheiding is de grens tussen twee stroomgebieden. De
transportader Rijn is een belangrijke transportader tussen de druk bevaren
Noordzee en een groot en welvarend achterland.
Het lengteprofiel van de Rijn
lengteprofiel ► Het lengteprofiel bestaat uit bovenloop, middenloop,
benedenloop.
verval ● De bovenloop bevat doorlatende kalk- en zandsteenlagen. Het
bovenloop verval in de bovenloop is groot. De stroomsnelheid is dus hoog. De
middenloop erosie is groter dan meer stroomafwaarts.
benedenloop ■ De Bovenrijn stroomt tussen Zwarte Woud en Vogezen door een
slenk met aan weerskanten harde, granietachtige gesteenten.
Regel: hoe groter het ● De middenloop ligt tussen Bingen en Keulen met ondoorlatende
verhang, hoe hoger de leisteenafzettingen en basaltrotsen (Lorelei).
stroomsnelheid en hoe De versmallingen vormen een obstakel voor de waterafvoer en de
, Wonen in Nederland Samenvatting H2
sterker de erosie is. scheepvaart.
● In de benedenloop (Niederrhein) is het verhang heel gering. De
verhang stroomsnelheid wordt er steeds lager, waardoor de sedimentatie
toeneemt.
■ De Rijntakken zijn bedijkt, met achter de dijken laag liggende
polders.
De Maas: een grillige rivier
► De Maas is ca. 900 km lang met bronnen in Noordoost-Frankrijk.
De Maas is een regenrivier. Het Franse deel is bevaarbaar vanaf Sedan. Het stroomgebied heeft
daar weinig verhang. Het is licht golvend. Veel neerslagwater zakt
De gesteentesoort in het daar weg in de poreuze kalkbodems en komt mondjesmaat weer
stroomgebied is van belang terug in de rivieren (lange vertragingstijd).
voor de infiltratie van de ● Het Belgische deel stroomt door diep ingesneden, harde
neerslag. Ook het reliëf en gesteenten die slecht doorlaatbaar zijn. De bebossing in het reliëfrijke
de vegetatie spelen een rol heuvelland voorkomt erosie, maar door de dunne bodems is er
bij de vertragingstijd. weinig indringing en stroomt de neerslag toch snel af naar de vele
kleine riviertjes. Dat betekent dat de vertragingstijd kort is.
betekenis van een klein Het stroomgebied is klein, zodat er veel kans is op gelijke (natte)
stroomgebied weersomstandigheden.
● Van de Nederlandse Maas is de zogenaamde Grensmaas bochtig en
in de zomer onbevaarbaar. De scheepvaart gaat door het
Julianakanaal. De bodems bestaan hier uit rivierkleiafzettingen op
doorlatende grindlagen.
In Midden-Limburg stroomt de Plassenmaas door zand- en
grindpakketten. De Maasplassen zijn geschikt voor delfstofwinning,
recreatie en waterberging.
● Ten zuiden van Mook is het Maasdal begrensd door terrassen, dus
zijn daar geen polders en dijken. De uiterwaarden worden vaak
intensief gebruikt. Overstromingen kunnen daar veel schade
Stuwen en sluizen regelen aanrichten.
waterpeil en scheepvaart. ■ In delen van de Maas regelen stuwen en sluizen het waterpeil en de
scheepvaart (anders dan de Waal en IJssel).
Levende rivieren
In de buitenbocht wordt de ► Een meander is een natuurlijke bocht in een rivier. Het verschil in
hoogste stroomsnelheid stroomsnelheid verklaart het meanderen: erosie in buitenbocht,
gemeten. sedimentatie in binnenbocht.
De erosie-oever (ofwel stootoever) is diep; de sedimentatie-oever
Regel: een hoge (ofwel glij-oever) is ondiep.
stroomsnelheid gaat samen Door meandering ontstaan lussen, die zich uiteindelijk zelf afsnijden.
met erosie. Een lage Daardoor ontstaat een hoefijzervormige dode arm.
stroomsnelheid met Hoefijzermeertjes hebben, evenals evenwijdige verlaten geulen
sedimentatie. (strangen), een hoge ecologische waarde.
● Het kenmerkende dwarsprofiel van een laaglandrivier zie je in de
Regel: in het dwarsprofiel tekeningen hieronder:
van de rivier is de
buitenbocht dieper en de
binnenbocht ondieper.
Regel: versmalling van een
rivier leidt tot een hogere
De Geo bovenbouw 5e editie vwo
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017