Sportpsychologie – Hoofdstuk 2: Motivatie en Sport
Motivatiepsychologie:
1. Richting van het gedrag:
Waarom gaan mensen aan de slag met die activiteit en niet met een andere?
2. Energetische aspect:
Waarom investeren mensen energie in de gekozen activiteit en waarom gaan ze ermee
door?
2.1. Basisbegrippen: motief, motivatie, behoefte en drijfveer
2.1.1. Motief
Motieven = of beweegredenen zijn betrekkelijk stabiele eigenschappen van mensen die hen
aanzetten tot bepaalde gedragingen of activiteiten.
Motieven = eigenschappen waarin mensen onderling verschillen.
Motieven = komen niet permanent tot uitdrukking in het gedrag: dat gebeurt alleen als de
omstandigheden ernaar zijn of als de situatie daartoe uitnodigt. Een motief is dus
sluimerend aanwezig en niet op elk moment manifest, maar het zal wel iemands
gedragingen beïnvloeden (ook als er geen direct appèl aan gedaan wordt). Men gaat dus op
zoek naar situaties waar hun motief tot uiting kan komen.
Motieven hebben te maken met wat mensen willen wat zijn waardevol achten: vb.
prestatiemotief, machtsmotief en gezondheidsmotief.
Het prestatiemotief zet aan tot het leveren van goede prestaties, goed in de ogen van
jezelf en van anderen. Mensen met een sterk prestatiemotief willen uitblinken en dit
vertegenwoordigt waarde voor ze.
Een machtsmotief zet aan tot het (willen) uitoefenen van macht over anderen.
Het gezondheidsmotief beweegt mensen ertoe zich zo te gedragen dat hun gezondheid
gehandhaafd blijft of verbetert.
2.1.2. Motivatie
Motivatie = de toestand waarin iemand op een bepaald moment verkeert, een toestand die
aanzet tot bepaald gedrag op dàt moment.
Motivatie is een gevolg van een combinatie van interne en externe factoren. Interne en
externe factoren beïnvloeden elkaar. Motivatie leidt tot de keuze van een doel en vervolgens
tot doelgericht gedrag. Ook externe factoren bepalen mede de motivatie. Natuurlijk spelen
externe factoren niet bij iedereen een even grote rol en hun invloed wordt medebepaald
door interne factoren.
1
, Voorbeelden van interne factoren zijn gedachten, herinneringen, vermoeidheid,
bloedsuikerspiegel, motieven,…
Voorbeelden van externe factoren zijn sfeer, weer, positieve/negatieve opmerkingen,
afwisseling, beloning,…
Verschillende motieven kunnen gelijktijdig invloed uitoefenen op de motivatie.
McClelland (1987) spreekt over ‘neiging tot handelen’ en reserveert de term motivatie voor
de toestand die resulteert als een motief wordt geactualiseerd. Motief en de daaruit
voortvloeiende motivatie is in McClellands beschrijving een van de factoren die invloed
hebben op de neiging tot handelen. Cognities vormen een tweede factor (bv. een voetbalster
weet dat als zij de training laat schieten, zij het weekend ernaast zal staan). Vaardigheden
vormen een derde factor in McClellands schema: mensen zijn eerder geneigd om
activiteiten uit te voeren die zij goed beheersen dan activiteiten waarin hun vaardigheid
tekortschiet. Verder spelen mogelijkheden een rol: gebrek aan bijvoorbeeld een geschikte
accommodatie zal de neiging hiertoe in de weg staan. Een factor die ook belangrijk is in het
model van McClelland (1987) is de rol van gewoonten. Veel gedragingen komen voort uit
gewoonten: mensen doen nou eenmaal wat ze gewend zijn.
Prikkel +
Motief Vaardigheden Gewoonten
Cognities Mogelijkheden Gedrag
2.1.3. Ontwikkeling van motieven
Motieven zijn nauw verbonden met doelen die iemand nastreeft en met de verwachtingen
die de persoon heeft over het kunnen bereiken van die doelen.
De rol die verwachtingen spelen, kan goed geïllustreerd worden aan motieven die gericht
zijn op het vermijden van bepaalde activiteiten (avoidance-motieven) en motieven om
ergens op af te gaan (approach-motieven).
Avoidance-motieven = de verwachting is negatief: een activiteit levert eerder een mislukking
op dan succes en kan dus beter vermeden worden.
Approach-motieven = de verwachting is positief: een activiteit levert eerder succes op dan
mislukking en kan het beste dus ondernomen worden (de kans op succes is groot).
Leerprocessen spelen een grote rol bij het ontwikkelen van motieven. Doelen die als
belangrijk worden ervaren én waarbij positieve uitkomsten worden verwacht, zullen
aanzetten tot activiteiten op dat gebied, waarmee ze feitelijk de kiem van een motief
vormen.
2.1.4. Behoefte en drijfveer
Een behoefte (of een tekort) vormt een drijfveer voor een persoon tot gedrag dat gericht is
op het opheffen van het tekort of anders gezegd, het bevredigen van de behoefte.
Een behoefte activeert een persoon en zorgt voor de energie die nodig is, de aard van de
behoefte geeft richting aan het gedrag en bevrediging van de behoefte leidt tot beëindiging
van het gedrag.
2
Motivatiepsychologie:
1. Richting van het gedrag:
Waarom gaan mensen aan de slag met die activiteit en niet met een andere?
2. Energetische aspect:
Waarom investeren mensen energie in de gekozen activiteit en waarom gaan ze ermee
door?
2.1. Basisbegrippen: motief, motivatie, behoefte en drijfveer
2.1.1. Motief
Motieven = of beweegredenen zijn betrekkelijk stabiele eigenschappen van mensen die hen
aanzetten tot bepaalde gedragingen of activiteiten.
Motieven = eigenschappen waarin mensen onderling verschillen.
Motieven = komen niet permanent tot uitdrukking in het gedrag: dat gebeurt alleen als de
omstandigheden ernaar zijn of als de situatie daartoe uitnodigt. Een motief is dus
sluimerend aanwezig en niet op elk moment manifest, maar het zal wel iemands
gedragingen beïnvloeden (ook als er geen direct appèl aan gedaan wordt). Men gaat dus op
zoek naar situaties waar hun motief tot uiting kan komen.
Motieven hebben te maken met wat mensen willen wat zijn waardevol achten: vb.
prestatiemotief, machtsmotief en gezondheidsmotief.
Het prestatiemotief zet aan tot het leveren van goede prestaties, goed in de ogen van
jezelf en van anderen. Mensen met een sterk prestatiemotief willen uitblinken en dit
vertegenwoordigt waarde voor ze.
Een machtsmotief zet aan tot het (willen) uitoefenen van macht over anderen.
Het gezondheidsmotief beweegt mensen ertoe zich zo te gedragen dat hun gezondheid
gehandhaafd blijft of verbetert.
2.1.2. Motivatie
Motivatie = de toestand waarin iemand op een bepaald moment verkeert, een toestand die
aanzet tot bepaald gedrag op dàt moment.
Motivatie is een gevolg van een combinatie van interne en externe factoren. Interne en
externe factoren beïnvloeden elkaar. Motivatie leidt tot de keuze van een doel en vervolgens
tot doelgericht gedrag. Ook externe factoren bepalen mede de motivatie. Natuurlijk spelen
externe factoren niet bij iedereen een even grote rol en hun invloed wordt medebepaald
door interne factoren.
1
, Voorbeelden van interne factoren zijn gedachten, herinneringen, vermoeidheid,
bloedsuikerspiegel, motieven,…
Voorbeelden van externe factoren zijn sfeer, weer, positieve/negatieve opmerkingen,
afwisseling, beloning,…
Verschillende motieven kunnen gelijktijdig invloed uitoefenen op de motivatie.
McClelland (1987) spreekt over ‘neiging tot handelen’ en reserveert de term motivatie voor
de toestand die resulteert als een motief wordt geactualiseerd. Motief en de daaruit
voortvloeiende motivatie is in McClellands beschrijving een van de factoren die invloed
hebben op de neiging tot handelen. Cognities vormen een tweede factor (bv. een voetbalster
weet dat als zij de training laat schieten, zij het weekend ernaast zal staan). Vaardigheden
vormen een derde factor in McClellands schema: mensen zijn eerder geneigd om
activiteiten uit te voeren die zij goed beheersen dan activiteiten waarin hun vaardigheid
tekortschiet. Verder spelen mogelijkheden een rol: gebrek aan bijvoorbeeld een geschikte
accommodatie zal de neiging hiertoe in de weg staan. Een factor die ook belangrijk is in het
model van McClelland (1987) is de rol van gewoonten. Veel gedragingen komen voort uit
gewoonten: mensen doen nou eenmaal wat ze gewend zijn.
Prikkel +
Motief Vaardigheden Gewoonten
Cognities Mogelijkheden Gedrag
2.1.3. Ontwikkeling van motieven
Motieven zijn nauw verbonden met doelen die iemand nastreeft en met de verwachtingen
die de persoon heeft over het kunnen bereiken van die doelen.
De rol die verwachtingen spelen, kan goed geïllustreerd worden aan motieven die gericht
zijn op het vermijden van bepaalde activiteiten (avoidance-motieven) en motieven om
ergens op af te gaan (approach-motieven).
Avoidance-motieven = de verwachting is negatief: een activiteit levert eerder een mislukking
op dan succes en kan dus beter vermeden worden.
Approach-motieven = de verwachting is positief: een activiteit levert eerder succes op dan
mislukking en kan het beste dus ondernomen worden (de kans op succes is groot).
Leerprocessen spelen een grote rol bij het ontwikkelen van motieven. Doelen die als
belangrijk worden ervaren én waarbij positieve uitkomsten worden verwacht, zullen
aanzetten tot activiteiten op dat gebied, waarmee ze feitelijk de kiem van een motief
vormen.
2.1.4. Behoefte en drijfveer
Een behoefte (of een tekort) vormt een drijfveer voor een persoon tot gedrag dat gericht is
op het opheffen van het tekort of anders gezegd, het bevredigen van de behoefte.
Een behoefte activeert een persoon en zorgt voor de energie die nodig is, de aard van de
behoefte geeft richting aan het gedrag en bevrediging van de behoefte leidt tot beëindiging
van het gedrag.
2