Sportpsychologie – Hoofdstuk 11: Sportteams
11.1. Sportteam gedefinieerd
Sportteam wordt door Carron, Hausenblas en Eys (2005) op zo’n manier gedefinieerd dat
vrijwel alle kenmerken uit de verschillende definities zijn opgenomen. De belangrijkste
kenmerken zijn:
- Een sportteam is een verzameling van twee of meer sporters.
- De sporters zijn het met elkaar eens over het doel dat zij willen bereiken.
- Tussen de sporters zijn patronen van gestructureerde interactie en communicatie.
- De sporters hebben gemeenschappelijke opvattingen over de groepsstructuur.
- Er is sprake van persoonlijke en instrumentele afhankelijkheid van elkaar.
- De sporters voelen zich tot elkaar aangetrokken.
- De sporters zien zichzelf als groep en worden ook door anderen als groep gezien.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen sportteams, gebaseerd op de wijze
waarop sporters afhankelijk zijn van elkaar bij de taakuitvoering.
Indeling van sportteams op basis van de manier waarop sporters afhankelijk zijn van elkaar bij
de taakuitvoering (Van Rossum & Murphy, 1994):
Taak Voorbeelden van sportteams
- Turnen.
- (Boog)schieten.
Onafhankelijk van elkaar (independent tasks). - Atletiek.
- Bowling.
- Tennis (zoals bij een Davis Cup-team).
- Bobsleeën.
- Roeien.
Afhankelijk van elkaar bij gelijktijdig uitvoeren van - Kanoën.
de taak (coactively dependent tasks). - Synchroon zwemmen.
- Ploegentijdrit (wielrennen).
- Ploegenachtervolging (schaatsen).
Afhankelijkheid als actie-reactie (proactively- - Pitcher-catcher (honkbal, softbal).
reactively dependent tasks). - Estafette (atletiek, zwemmen).
- Voetbal.
- Hockey.
Interactieve afhankelijke taken (interactively - IJshockey.
dependent tasks). - Handbal.
- Volleybal.
- Basketbal.
Afhankelijk van het soort taken dat een team uitvoert, zijn sommige kenmerken van sportteams
belangrijker en andere minder belangrijk voor het functioneren van het team. Uit wat oudere
studies bleek dat bij onafhankelijke taken (bowlen en geweerschieten) en bepaalde afhankelijke
taken (roeien) een grotere cohesie van de ploeg niet samenhing met de prestaties die werden
geleverd, in enkele gevallen zelfs in tegendeel.
1
, 11.2. Een model voor de bestudering van sportteams
Binnen de sportpsychologie wordt het model van Carron en Hausenblas (1998) veel gebruikt
voor de bestudering van groepsdynamische processen binnen sportteams (blz. 390).
In het model worden input-, proces- en outputvariabelen onderscheiden. Tot de inputvariabelen
behoren kenmerken van groepsleden en van de context waarin het team zich bevindt. Tot de
procesvariabelen worden groepsstructuur, groepscohesie en groepsprocessen gerekend. Bij de
outputvariabelen wordt onderscheid gemaakt tussen groepsproducten en individuele producten.
De relaties tussen de verschillende variabelen in het model hebben een heel dynamisch karakter.
In de regel zijn de relaties echter wederkerig en heeft groepscohesie invloed groepsprocessen en
omgekeerd. Hetzelfde geldt voor groepscohesie en groepsstructuur. Met recht mag er worden
gesproken over groepsdynamische processen.
Inputvariabelen:
- Kenmerken groepsleden (sociale, psychologische en fysieke kenmerken).
- Context (type taak, locatie o.a. thuisvoordeel).
Procesvariabelen:
- Groepsstructuur (positie, status, rollen en normen). Impact van een positie hangt af van
zichtbaarheid en interactie met teamleden. Status hangt samen met positie, autoriteit en
macht. Binnen een team zijn formele en informele rollen. Een norm is een gedragsstandaard,
formeel of informeel, waaraan iedereen zich heeft te houden.
- Groepsprocessen (coördinatie, motivatie, communicatie en interactie). Een teamprestatie is
niet de optelsom van de individuele prestatie (Ringelmann-effect) waardoor coördinatie
onmisbaar is.
Outputvariabelen:
- Individuele opbrengsten (prestatie, tevredenheid, binding aan groep, welbevinden van de
sporter).
- Groepsopbrengsten (teamprestatie, stabiliteit van het team).
11.3. Ontwikkelingsstadia van sportteams
Het ontstaan en bestaan van een team of groep gaat in verschillende fasen: forming, storming,
norming, performing en adjourning.
1. Forming = fase waarin de groep wordt gevormd, oriëntatie op elkaar en de taak. Belangrijke
rol van de coach om te informeren en te sturen.
2. Storming = aftasten van elkaars grenzen en uittesten van elkaar. Spanningen, polarisatie en
mogelijk conflicten waarin ook coach betrokken kan zijn.
3. Norming = vijandigheid wordt omgezet in solidariteit en samenwerking. Vinden van
waardering voor elkaars kwaliteiten, uitkristalliseren van hiërarchische verhouding.
Ontstaan van groepscohesie.
4. Performing = rollen en functies zijn bekend, structuur is stabiel. Alles is klaar om energie
gebundeld te richten op bereiken van de beoogde prestaties.
5. Adjourning = uiteengaan van de groep of specifieke groep in die samenstelling, nieuwe
spelers in een team, andere gaan weg.
Hierna kan het proces weer opnieuw beginnen. De processen van het innemen van posities,
verwerven van status, communicatie, interactie enzovoorts spelen overal een rol maar kunnen
2
11.1. Sportteam gedefinieerd
Sportteam wordt door Carron, Hausenblas en Eys (2005) op zo’n manier gedefinieerd dat
vrijwel alle kenmerken uit de verschillende definities zijn opgenomen. De belangrijkste
kenmerken zijn:
- Een sportteam is een verzameling van twee of meer sporters.
- De sporters zijn het met elkaar eens over het doel dat zij willen bereiken.
- Tussen de sporters zijn patronen van gestructureerde interactie en communicatie.
- De sporters hebben gemeenschappelijke opvattingen over de groepsstructuur.
- Er is sprake van persoonlijke en instrumentele afhankelijkheid van elkaar.
- De sporters voelen zich tot elkaar aangetrokken.
- De sporters zien zichzelf als groep en worden ook door anderen als groep gezien.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende typen sportteams, gebaseerd op de wijze
waarop sporters afhankelijk zijn van elkaar bij de taakuitvoering.
Indeling van sportteams op basis van de manier waarop sporters afhankelijk zijn van elkaar bij
de taakuitvoering (Van Rossum & Murphy, 1994):
Taak Voorbeelden van sportteams
- Turnen.
- (Boog)schieten.
Onafhankelijk van elkaar (independent tasks). - Atletiek.
- Bowling.
- Tennis (zoals bij een Davis Cup-team).
- Bobsleeën.
- Roeien.
Afhankelijk van elkaar bij gelijktijdig uitvoeren van - Kanoën.
de taak (coactively dependent tasks). - Synchroon zwemmen.
- Ploegentijdrit (wielrennen).
- Ploegenachtervolging (schaatsen).
Afhankelijkheid als actie-reactie (proactively- - Pitcher-catcher (honkbal, softbal).
reactively dependent tasks). - Estafette (atletiek, zwemmen).
- Voetbal.
- Hockey.
Interactieve afhankelijke taken (interactively - IJshockey.
dependent tasks). - Handbal.
- Volleybal.
- Basketbal.
Afhankelijk van het soort taken dat een team uitvoert, zijn sommige kenmerken van sportteams
belangrijker en andere minder belangrijk voor het functioneren van het team. Uit wat oudere
studies bleek dat bij onafhankelijke taken (bowlen en geweerschieten) en bepaalde afhankelijke
taken (roeien) een grotere cohesie van de ploeg niet samenhing met de prestaties die werden
geleverd, in enkele gevallen zelfs in tegendeel.
1
, 11.2. Een model voor de bestudering van sportteams
Binnen de sportpsychologie wordt het model van Carron en Hausenblas (1998) veel gebruikt
voor de bestudering van groepsdynamische processen binnen sportteams (blz. 390).
In het model worden input-, proces- en outputvariabelen onderscheiden. Tot de inputvariabelen
behoren kenmerken van groepsleden en van de context waarin het team zich bevindt. Tot de
procesvariabelen worden groepsstructuur, groepscohesie en groepsprocessen gerekend. Bij de
outputvariabelen wordt onderscheid gemaakt tussen groepsproducten en individuele producten.
De relaties tussen de verschillende variabelen in het model hebben een heel dynamisch karakter.
In de regel zijn de relaties echter wederkerig en heeft groepscohesie invloed groepsprocessen en
omgekeerd. Hetzelfde geldt voor groepscohesie en groepsstructuur. Met recht mag er worden
gesproken over groepsdynamische processen.
Inputvariabelen:
- Kenmerken groepsleden (sociale, psychologische en fysieke kenmerken).
- Context (type taak, locatie o.a. thuisvoordeel).
Procesvariabelen:
- Groepsstructuur (positie, status, rollen en normen). Impact van een positie hangt af van
zichtbaarheid en interactie met teamleden. Status hangt samen met positie, autoriteit en
macht. Binnen een team zijn formele en informele rollen. Een norm is een gedragsstandaard,
formeel of informeel, waaraan iedereen zich heeft te houden.
- Groepsprocessen (coördinatie, motivatie, communicatie en interactie). Een teamprestatie is
niet de optelsom van de individuele prestatie (Ringelmann-effect) waardoor coördinatie
onmisbaar is.
Outputvariabelen:
- Individuele opbrengsten (prestatie, tevredenheid, binding aan groep, welbevinden van de
sporter).
- Groepsopbrengsten (teamprestatie, stabiliteit van het team).
11.3. Ontwikkelingsstadia van sportteams
Het ontstaan en bestaan van een team of groep gaat in verschillende fasen: forming, storming,
norming, performing en adjourning.
1. Forming = fase waarin de groep wordt gevormd, oriëntatie op elkaar en de taak. Belangrijke
rol van de coach om te informeren en te sturen.
2. Storming = aftasten van elkaars grenzen en uittesten van elkaar. Spanningen, polarisatie en
mogelijk conflicten waarin ook coach betrokken kan zijn.
3. Norming = vijandigheid wordt omgezet in solidariteit en samenwerking. Vinden van
waardering voor elkaars kwaliteiten, uitkristalliseren van hiërarchische verhouding.
Ontstaan van groepscohesie.
4. Performing = rollen en functies zijn bekend, structuur is stabiel. Alles is klaar om energie
gebundeld te richten op bereiken van de beoogde prestaties.
5. Adjourning = uiteengaan van de groep of specifieke groep in die samenstelling, nieuwe
spelers in een team, andere gaan weg.
Hierna kan het proces weer opnieuw beginnen. De processen van het innemen van posities,
verwerven van status, communicatie, interactie enzovoorts spelen overal een rol maar kunnen
2