Sportpsychologie – Hoofdstuk 12: De keerzijde van sport
Sport levert niet alleen positieve uitkomsten. Belangrijke negatieve bijeffecten zijn agressie,
blessures, burn-out, eetstoornissen en het omgaan met het grote aantal trainingsuren dat
gemaakt moet worden om aan de top mee te kunnen draaien.
12.1. Agressie
12.1.1. Onderscheidingen
Agressie wordt onderscheiden in vijandige agressie, instrumentele agressie en assertiviteit.
Het verschil zit hem in:
(1) Het doel (schade toebrengen of middel om een ander doel te bereiken).
(2) De aan- of afwezigheid van kwaadheid.
(3) De impulsiviteit van het gedrag.
Assertief gedrag blijft binnen de regels van het spel en wat is toegestaan verschilt dus per
sport. Het uit elkaar houden van de verschillende soorten agressie is lastig omdat
verschillende motieven tot dezelfde gedragingen kunnen leiden maar verschillende
gedragingen kunnen ook hetzelfde motief hebben. Woede kan leiden tot vijandige agressie
maar met de scheidsrechter in de buurt kan het ook nog even planmatig uitgesteld worden.
Wanneer het gedrag dan alsnog wordt uitgevoerd is het wel vijandige agressie, maar het is
ook planmatig.
12.1.2. Theorieën over agressief gedrag
Er zijn 3 klassieke theorieën over agressie:
1. Psychodynamische theorieën: hier komt agressie voort uit interne krachten als driften,
impulsen en instincten. Mensen hebben een bron van agressieve impulsen die op gezette
tijden tot uiting moeten worden gebracht.
2. Frustratie-agressiehypothese: de bereidheid tot agressie neemt toe wanneer iemand
geblokkeerd wordt in zijn doelgericht gedrag. Of de agressie ook echt tot uiting komt is
onder meer afhankelijk van de gewoonten van de persoon en de signalen in de omgeving.
Deze theorie krijgt weinig steun en is incompleet.
3. Theorie van het sociaal leren: agressief is net als elke vorm gedrag aangeleerd. Straf en
beloning spelen hierbij een belangrijke rol: agressie zal versterkt worden wanneer het
niet afgestraft of zelfs beloond wordt.
12.1.3. Factoren van invloed op agressie
Factoren die van invloed zijn op agressie zijn emoties, leerervaringen, gewoonten
(knowledge structures, scripts), aanwezigheid van agressieve signalen, persoonskenmerken
(morele ontwikkeling, doeloriëntatie), morele sfeer in een team, gedrag van een coach
(wedijverklimaat), uit- of thuiswedstrijd, interpretatieruimte van de spelregels en de
speelruimte.
12.2. Blessures
Blessures komen veel voor onder sporters maar het ontbreken van een eenduidige definitie
maakt dat het lastig is te registreren hoe vaak het voorkomt.
12.2.1. Het model van Williams en Andersen
Het model van Williams en Andersen (blz. 418) beschrijft welke factoren een rol spelen bij
het ontstaan van blessures: een potentieel stressvolle situatie leidt tot een stressreactie die
fysiologische veranderingen als verhoogde hartfrequentie, bloeddruk en spierspanning met
zich meebrengt. Samen met veranderingen in aandacht zorgt dit dat een sporter minder
goed reageert op situaties en blessures gemakkelijker ontstaan. De stressreactie wordt
beïnvloed door persoonlijkheidseigenschappen, copingmogelijkheden en de stresshistorie
1
, van de sporter. Interventies kunnen gericht zijn op de fysiologische veranderingen als de
beoordeling van potentieel stressvolle situaties. Het model geldt vooral voor acute
blessures.
12.2.2. Het model van Wiese-Bjornstal en collega’s
De gevolgen van een blessure worden beschreven in het model van Wiese-Bjornstal. Het is
een overzicht van de belangrijkste factoren die een rol (kunnen) spelen bij de reactie op een
blessure. Ten eerste zijn er de persoonlijke factoren: soort blessure, psychologische
factoren, demografische variabelen en fysieke factoren. De situatiefactoren zijn verdeeld in
sport, sociaal en omgeving. De reacties bestaan uit inschatting of beoordeling (cognitive
appraisal), gedragsreacties en emotionele reacties.
12.3. Burn-out
Burn-out = psychologisch en emotioneel afstand nemen van en soms fysiek terugtrekken uit een
voorheen nagestreefde en plezierige activiteit als reactie op overmatige stress of
ontevredenheid.
Na een training is sprake van functionele overreaching. Wanneer de rust niet genoeg is, kan dit
leiden tot niet-functionele overreaching (overtraining) die kan uitmonden in staleness
(achteruitgang in prestaties die niet toe te schrijven is aan ziekte of blessure). Overtraining en
staleness kunnen leiden tot een fysiek bepaalde burn-out. Chronische stress (bv. ten gevolge van
beperkte sociale contacten buiten de sport, beperkingen ten aanzien van andere activiteiten of
interacties met de coach) kan leiden tot een sociaalpsychologische burn-out.
12.3.1. Modellen van burn-out
Er zijn verschillende modellen die burn-out beschrijven:
1. Cognitief-affectieve-stressmodel: heeft als uitgangspunt dat chronische stress door
verschillende factoren uiteindelijk kan leiden tot burn-out.
2. Unidimensional identity development and external control model: stress is een symptoom
van een burn-out die veroorzaakt zou worden door het feit dat sporters weinig
autonomie over hun leven hebben en alleen een identiteit binnen de sport ontwikkelen.
3. Sportcommitmentmodel: dit model ziet naast stress ook het commitment van sporters als
oorzaak van burn-out: iedereen kan stress ervaren maar vooral sporters die uiteindelijk
sporten ervaren als ‘moeten’, lopen kans op een burn-out.
4. Silva’s model: burn-out is de laatste fase na overtraining en staleness door zowel
psychologische, fysiologische en sociale stressfactoren.
12.3.2. Signalering, preventie en interventie
Om burn-out te voorkomen of te behandelen moeten de volgende punten aangehouden
worden:
- Spoor signalen vroegtijdig op (vragenlijsten als POMS en RESTQ).
- Betrek sporters bij het nemen van beslissingen (geeft het gevoel van autonomie en
controle).
- Plan time-outs.
- Voer het trainingsregime met beleid (meer trainen betekent niet automatisch een
prestatieverbetering).
- Maak gebruik van input van de sporter.
- Zorg voor sociale steun.
- Zorg voor plezier (beginnersgeest behouden).
- Zorg voor een balans tussen sport en leven buiten de sport (voorkomen van eenzijdige
identiteit).
2
Sport levert niet alleen positieve uitkomsten. Belangrijke negatieve bijeffecten zijn agressie,
blessures, burn-out, eetstoornissen en het omgaan met het grote aantal trainingsuren dat
gemaakt moet worden om aan de top mee te kunnen draaien.
12.1. Agressie
12.1.1. Onderscheidingen
Agressie wordt onderscheiden in vijandige agressie, instrumentele agressie en assertiviteit.
Het verschil zit hem in:
(1) Het doel (schade toebrengen of middel om een ander doel te bereiken).
(2) De aan- of afwezigheid van kwaadheid.
(3) De impulsiviteit van het gedrag.
Assertief gedrag blijft binnen de regels van het spel en wat is toegestaan verschilt dus per
sport. Het uit elkaar houden van de verschillende soorten agressie is lastig omdat
verschillende motieven tot dezelfde gedragingen kunnen leiden maar verschillende
gedragingen kunnen ook hetzelfde motief hebben. Woede kan leiden tot vijandige agressie
maar met de scheidsrechter in de buurt kan het ook nog even planmatig uitgesteld worden.
Wanneer het gedrag dan alsnog wordt uitgevoerd is het wel vijandige agressie, maar het is
ook planmatig.
12.1.2. Theorieën over agressief gedrag
Er zijn 3 klassieke theorieën over agressie:
1. Psychodynamische theorieën: hier komt agressie voort uit interne krachten als driften,
impulsen en instincten. Mensen hebben een bron van agressieve impulsen die op gezette
tijden tot uiting moeten worden gebracht.
2. Frustratie-agressiehypothese: de bereidheid tot agressie neemt toe wanneer iemand
geblokkeerd wordt in zijn doelgericht gedrag. Of de agressie ook echt tot uiting komt is
onder meer afhankelijk van de gewoonten van de persoon en de signalen in de omgeving.
Deze theorie krijgt weinig steun en is incompleet.
3. Theorie van het sociaal leren: agressief is net als elke vorm gedrag aangeleerd. Straf en
beloning spelen hierbij een belangrijke rol: agressie zal versterkt worden wanneer het
niet afgestraft of zelfs beloond wordt.
12.1.3. Factoren van invloed op agressie
Factoren die van invloed zijn op agressie zijn emoties, leerervaringen, gewoonten
(knowledge structures, scripts), aanwezigheid van agressieve signalen, persoonskenmerken
(morele ontwikkeling, doeloriëntatie), morele sfeer in een team, gedrag van een coach
(wedijverklimaat), uit- of thuiswedstrijd, interpretatieruimte van de spelregels en de
speelruimte.
12.2. Blessures
Blessures komen veel voor onder sporters maar het ontbreken van een eenduidige definitie
maakt dat het lastig is te registreren hoe vaak het voorkomt.
12.2.1. Het model van Williams en Andersen
Het model van Williams en Andersen (blz. 418) beschrijft welke factoren een rol spelen bij
het ontstaan van blessures: een potentieel stressvolle situatie leidt tot een stressreactie die
fysiologische veranderingen als verhoogde hartfrequentie, bloeddruk en spierspanning met
zich meebrengt. Samen met veranderingen in aandacht zorgt dit dat een sporter minder
goed reageert op situaties en blessures gemakkelijker ontstaan. De stressreactie wordt
beïnvloed door persoonlijkheidseigenschappen, copingmogelijkheden en de stresshistorie
1
, van de sporter. Interventies kunnen gericht zijn op de fysiologische veranderingen als de
beoordeling van potentieel stressvolle situaties. Het model geldt vooral voor acute
blessures.
12.2.2. Het model van Wiese-Bjornstal en collega’s
De gevolgen van een blessure worden beschreven in het model van Wiese-Bjornstal. Het is
een overzicht van de belangrijkste factoren die een rol (kunnen) spelen bij de reactie op een
blessure. Ten eerste zijn er de persoonlijke factoren: soort blessure, psychologische
factoren, demografische variabelen en fysieke factoren. De situatiefactoren zijn verdeeld in
sport, sociaal en omgeving. De reacties bestaan uit inschatting of beoordeling (cognitive
appraisal), gedragsreacties en emotionele reacties.
12.3. Burn-out
Burn-out = psychologisch en emotioneel afstand nemen van en soms fysiek terugtrekken uit een
voorheen nagestreefde en plezierige activiteit als reactie op overmatige stress of
ontevredenheid.
Na een training is sprake van functionele overreaching. Wanneer de rust niet genoeg is, kan dit
leiden tot niet-functionele overreaching (overtraining) die kan uitmonden in staleness
(achteruitgang in prestaties die niet toe te schrijven is aan ziekte of blessure). Overtraining en
staleness kunnen leiden tot een fysiek bepaalde burn-out. Chronische stress (bv. ten gevolge van
beperkte sociale contacten buiten de sport, beperkingen ten aanzien van andere activiteiten of
interacties met de coach) kan leiden tot een sociaalpsychologische burn-out.
12.3.1. Modellen van burn-out
Er zijn verschillende modellen die burn-out beschrijven:
1. Cognitief-affectieve-stressmodel: heeft als uitgangspunt dat chronische stress door
verschillende factoren uiteindelijk kan leiden tot burn-out.
2. Unidimensional identity development and external control model: stress is een symptoom
van een burn-out die veroorzaakt zou worden door het feit dat sporters weinig
autonomie over hun leven hebben en alleen een identiteit binnen de sport ontwikkelen.
3. Sportcommitmentmodel: dit model ziet naast stress ook het commitment van sporters als
oorzaak van burn-out: iedereen kan stress ervaren maar vooral sporters die uiteindelijk
sporten ervaren als ‘moeten’, lopen kans op een burn-out.
4. Silva’s model: burn-out is de laatste fase na overtraining en staleness door zowel
psychologische, fysiologische en sociale stressfactoren.
12.3.2. Signalering, preventie en interventie
Om burn-out te voorkomen of te behandelen moeten de volgende punten aangehouden
worden:
- Spoor signalen vroegtijdig op (vragenlijsten als POMS en RESTQ).
- Betrek sporters bij het nemen van beslissingen (geeft het gevoel van autonomie en
controle).
- Plan time-outs.
- Voer het trainingsregime met beleid (meer trainen betekent niet automatisch een
prestatieverbetering).
- Maak gebruik van input van de sporter.
- Zorg voor sociale steun.
- Zorg voor plezier (beginnersgeest behouden).
- Zorg voor een balans tussen sport en leven buiten de sport (voorkomen van eenzijdige
identiteit).
2