Week 1 (hoofdstuk 1)
1.1
- Het bestuur van Nederland wordt bestuurd door het openbaar bestuur.
- Het openbaar bestuur is deel van de overheid dat zich bezighoudt met het bestuur.
- Driedeling van de overheid: wetgeving, rechtspraak en bestuur = trias politica.
- verschillende niveaus: gemeentelijk, provinciaal, landelijk niveau.
- gemeentelijk niveau: college van b&W (belast met dagelijks bestuur) en wordt
gecontroleerd door de gemeenteraad.
- Bestuursorganisatie bestaat uit verschillende onderdelen: bestuursorganen.
- Rijksniveau (landelijk) : regering vormt dagelijks bestuur (koning en ministers)
- Het openbaar bestuur moet het algemeen belang behartigen (geen eigenbelang)
- Publieke belangen zijn bv. Handhaving orde, alcoholmisbruik.
1.2
- Hoe behartigt het openbaar bestuur de algemene belangen? > reguleert en stuurt het
openbaar bestuur door activiteiten van de burgers, verricht publieke taken.
- feitelijke handelingen van het bestuur > bv. Brandweer, repareren van stoeptegels.
- Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te
geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
- College van B&W en gemeenteraad dragen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
bijstand.
- Provinciale overheid vervult coördinerende en soms toezicht houdende functie.
- Provinciale staten houdt toezicht op gemeente, bv begroting goed te keuren.
- Provinciale staten kan een inpassingsplan vast stellen, dat maakt deel uit van het
bestemmingsplan van de gemeente.
- verschillende niveaus: centraal (landelijk niveau) decentraal (provinciaal en gemeentelijk
niveau)
- bestuursbevoegdheden van gemeenten en provincies onderverdeeld in twee: autonomie
en medebewind.
- autonomie >bevoegdheid uitvoeren in het kader van huishouding bv. Gemeentewet.
- Medebewind >medewerking aan de uitvoering van wetten in formele zin.
1.3
Verzorgingsstaat= sprake van een overheid die zich met vrijwel alle aspecten van het
maatschappelijk leven bemoeit (wieg tot graf)
Nachtwakersstaat= dat de staat zich alleen met een beperkt aantal taken moest
bezighouden.
Sociale rechtstaat= actief randvoorwaarden voor een kwalitatief goed menselijk bestaan.
1.4
-Het bestuur moet tegen de wil van burgers op kunnen treden> in vorm van wetten in
formele zin (gemaakt door regering en staten generaal) en algemeen verbindende
voorschriften > wetten in algemene zin.
- vergunning bevoegdheid is een van de belangrijkste bevoegdheden van het bestuur.
,> door een vergunning kan het gedrag van burgers gericht worden beïnvloed omdat zo een
vergunning bedoeld is voor een concreet geval.
- Bij een gebouw kan een normstelling ‘in concreto’ gelden, dat houdt in dat voor ieder
bouwwerk afzonderlijke voorschriften in de vergunning kunnen staan, dus maatwerk.
- voorschriften bij een vergunning kunnen niet willekeurig worden toegevoegd, ze moeten
betrekking hebben op het doel van de wet.
- Het bestuur heeft ook het handhavingsbevoegdheid, dit is om illegale activiteiten te
beëindigen.
- Bestuursorganen kunnen in bepaalde gevallen in de wet bevoegd zijn om een vrijstelling of
ontheffing te verlenen van wettelijke voorschriften.
> bijzondere situaties waarbij de regels beter niet toegepast kunnen worden.
- Beginsel van wetmatigheid en bestuur of te wel het legaliteitsbeginsel betekent dat het
bestuur, om bestuurshandelingen te kunnen verrichten over een op de wet gebaseerde
bevoegdheid moet beschikken.
- Bestuursbevoegdheden hebben een speciaal doel = specialiteitsbeginsel
- Normering van bestuursbevoegdheid= dat er in de wet inhoudelijke en procedurele
voorwaarden zijn opgenomen die het bestuur in acht moet nemen.
- Het bestuursrecht wordt gezien als het recht dat waarborgen biedt tegen de onrechtmatige
uitoefening van bestuursbevoegdheid.
1.5
- een bestuursbevoegdheid is een bepaald type publiekrechtelijke bevoegdheid.
- drie soorten publiekrechtelijke bevoegdheden: wetgevende, rechtsprekende, uitvoerende
macht.
> gemeenschappelijke kenmerk = bevoegdheden
- bevoegdheden kunnen omschreven worden als een vermogen van een orgaan om
rechtsgevolgen tot stand te brengen.
- positief recht = geldend en afdwingbaar recht
- kenmerkend: alleen door overheidsorgaan uitgeoefend mogen worden, eenzijdig dus geen
instemming van de burger nodig.
1.6
- Formeel bestuursrecht= over de procedures die door het bestuur moeten worden gevolgd
bij het nemen van besluiten (bestuursprocesrecht en besluitvormingsrecht)
- Materieel bestuursrecht= heeft betrekking op de inhoud van de besluiten. Regelt ook de
inhoudelijke verhouding tussen burger en bestuur door vaststelling van rechten en plichten.
Dus ook wetten waarin bestuursbevoegdheden worden toegekend en genormeerd (grote
deel in bijzondere bestuur wetten maar ook in het Awb die relevant zijn voor de inhoud van
besluiten) ook ongeschreven recht is deel van het materieel bestuursrecht.
1.7
-bijzonder bestuursrecht= deze delen houden zich bezig met een bepaald aspect van het
maatschappelijk leven.
- bijzonder bestuursrecht wordt ook wel gefragmenteerde of versnipperde structuur
genoemd omdat het bijzondere niet meer dan een algemeen belang behartigt.
- algemeen bestuursrecht bevat regels die voor alle delen van het bijzonder bestuursrecht
relevant zijn.
,- de Algemene wet bestuursrecht vervangt de bijzonder wetgeving niet!
- de Awb heeft tot doel om algemene leerstukken van het bestuursrecht en
bestuursrechtelijke rechtsnormen te codificeren. Het betreft hier leerstukken die voor alle
bijzonder delen van het bestuursrecht relevant zijn.
- raadplegen van een bestuursrechtelijke casus begint dus eerst bij het bijzondere en daarna
het algemene.
1.8
-vroeger kende de wet aan het bestuur de genormeerde (discretionaire bevoegdheden toe,
de wet dicteerde niet langer precies wat het bestuur moest doen maar gaf de ruimte om dit
zelf te bepalen.
> dit werd niet fair gebruikt en in plaats hiervan werd het ongeschreven bestuursrecht
ingezet.
Week 2 (hoofdstuk 2)
2.1
-bestuursrechtelijke verhouding = belanghebbende en bestuursorgaan
-Bestuursorgaan: orgaan van de overheid belast met de behartiging van publieke belangen.
- Belanghebbende: persoon wiens belang rechtstreeks bij de uitoefening van een
bestuursbevoegdheid is betrokken.
- De rechtsverhouding tussen een bestuursorgaan en belanghebbenden wordt meestal
beheerst door een doelgebonden bestuursbevoegdheid.
> bestuursbevoegdheid eenzijdig, dus een bestuursbevoegdheid heeft geen instemming van
de burger nodig dit noem je ook wel openbaar gezag.
-bestuurlijke vrijheid (discretie) is dat de wetgever het bestuursorgaan ruimte geeft om een
geval aan te vullen.
- uitoefening van een bestuursorgaan leidt tot een besluit.
- Drie bouwstenen van de bestuursrechtelijke verhouding:
1. bestuursorgaan;
2. een bestuursbevoegdheid;
3. een of meer belanghebbenden.
- Bestuursorganen zijn verenigd met openbare lichamen zoals gemeente en provincie.
- Een bestuursorgaan is geen Rechtspersoon, maar een openbare lichaam is dat wel.
- De wetgever is democratisch gelegitimeerd = bepalen welke belangen de Nederlandse
bestuursorganisatie moet behartigen.
- Wettelijke taakopdrachten zijn minder specifieke taken door de wetgever opgedragen.
- Bestuursorganen op rijksniveau zijn de regering, ministerraad en ministers.
> ministers staan aan het hoofd van een ministerie > departement.
-Bestuursorganen op provinciaal niveau zijn provinciale staten, gedeputeerde staten en de
commissaris van de koning.
-Bestuursorganen binnen het gemeentelijk niveau zijn gemeenteraad, burgemeester en
college van B&W.
-Bestuursorganen waterschappen: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en een voorzitter.
,- Centrale openbare lichaam is de Nederlandse Staat, decentraal zijn de gemeente, provincie
en waterschappen.
- Openbare lichaam definitie: een rechtspersoon die is ingesteld krachtens publiekrecht en
waaraan krachtens de Grondwet verordenende bevoegdheid toekomt. (tot het geven van
algemeen verbindende voorschriften)
- WGR: andere lichaam Wet Gemeenschappelijke Regelingen is in het leven geroepen om
bepaalde taken doelmatiger te kunnen behartigen.
- Openbare lichamen worden onderverdeeld in lichamen met algemene bestuurstaak
(gemeente, provincie, rijk) en met functionele bestuurstaak (waterschappen).
-Bestuursorganen vervullen geen vermogensrechtelijke functie.
- De vermogensrechtelijke vertegenwoordigingsfunctie die de organen van een
rechtspersoon ingesteld krachtens publiekrecht hebben, moet goed worden gescheiden van
de publiekrechtelijke functie van de bestuursorganen.
- openbare lichamen oefenen geen bestuursbevoegdheden uit!
2.2
- Bestuursorgaan artikel 1:1 lid 1 Awb.
- a-orgaan is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.
(formeel)
>ongeacht zij een bestuursbevoegdheid uitoefenen. (gemeenteraad)
-b -orgaan is een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. (stichting)
-Organen die geen bestuursorgaan zijn: wetgevende macht, algemene rekenkamer.
2.3
- Belanghebbende is een persoon wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een besluit.
- Onderscheid tussen direct-belanghebbenden en derden-belanghebbenden.
- twee functies van belanghebbende: rechtsbeschermingsfase en besluitvormingsfase.
> rechtsbeschermingsfase: bezwaar en beroepsgerechtigden. Wie kan tegen de besluit
opkomen.
> besluitvormingsfase: de bestuursorgaan bereidt een publiekrechtelijke rechtshandeling
voor zoals een vergunning.
- Afgeleid belang is als een potentiele belanghebbende niet rechtstreeks door een besluit in
zijn belangen wordt getroffen maar via een contractuele relatie.
-parallel belang is als er een direct-belanghebbende en een afgeleid belang tegelijk is door
een oorzaak.
, Week 3 (H2.4 t/m129, 2.9 en 2.10, 3.1.3)
2.4
-Wetmatigheid van bestuur= legaliteitsbeginsel, een van de belangrijkste beginselen binnen
het bestuursrecht, het komt er op neer dat bestuurshandelingen op een wettelijke grondslag
moeten steunen.
- belastende bestuursbevoegdheden zijn bestuursbevoegdheden op grond waarvan het
bestuur eenzijdig verplichtingen kan opleggen aan de burger.
> dit zal de handelingsvrijheid en soms de fundamentele rechten van een burger tasten.
- regelgevende bevoegdheden zijn bevoegdheden tot het uitvaardigen van algemeen
verbindende voorschriften > veel van deze avv’s worden door bestuursorganen gemaakt en
niet door de wetgever
> deze van de bestuursorgaan afkomstige wetgeving wordt bestuurswetgeving genoemd.
- Een algemeen verbindende voorschrift is een wetgeving in materiele zin.
- wetgeving in formele zin is afkomstig van de regering en staten- generaal.
- Begunstigende bestuursbevoegdheden: zijn begunstigend voor een burger, hierbij geldt
ook de eis van wetmatigheid. Uitkering subsidie
- Aan feitelijke overheidshandelingenHoeft niet kan wel.
- Privaatrechtelijk handelen hoeft niet aan de eis van wetmatigheid te voldoen. Bv. Kopen
voor het gemeente, handelt als een burger. (rechtspersoon dus openbaar lichaam
tegenover de burger)
2.5
- Specialiteitsbeginsel: als de wetgever bevoegdheden aan het bestuur toekent worden deze
naar doel afgebakend. Om te voorkomen dat het bestuur zijn bevoegdheden kan
misbruiken.
> als een bestuursorgaan dit beginsel overtreedt, is de kans groot dat het orgaan het verbod
op detournement de pouvoir overtreedt.
> het nadeel van het specialiteitsbeginsel is dat soms een burger voor een activiteit
meerdere vergunningen of besluiten moet aanvragen.
> voordelen: het bestuur mag zich niet bemoeien met andere prive belangen van de
aanvrager, mag zich niet laten leiden door particuliere belangen van andere, de burger niet
mag belasten met andere aspecten.
2.6
- Binnen het bestuursrecht betekent de wederkerige rechtsbetrekking niet het zelfde als in
privaatrecht. Want in het bestuursrecht wordt niet samen besloten maar eenzijdig door het
bestuur.
2.7
- In het bestuursrecht is er sprake van gelede normstelling. Dit houdt in dat je op basis van
een bepaling uit een wet niet direct kunt achterhalen of iets kan. (bv bouwen van een
woning moet je in diverse lagen wetgeving raadplegen)
2.8
- Terugtred van de wetgever is dat de wetgever in formele zin minder inhoudelijke
rechtsnormen tot stand brengt die zich rechtstreeks richten op burgers.
- afhankelijkheid van de beslisruimte die de wetgever aan het bestuur laat wordt vrije
bevoegdheid of discretionaire bevoegdheid genoemd.