Week 1 (hoofdstuk 1)
1.1
- De wetgever kent een belangrijk plaats toe aan het internationaal wet door artikel 90 GW.
- Het internationaal recht is het recht tussen staten onderling.
- Zeeën behoren niet aan een specifiek staat maar aan een ieder = vrij zee (mare liberum)
- Na 1e wereldoorlog > verdrag van Versailles om een eind aan de oorlog te maken.
- Binnen het nationale recht regelt de overheid regels en wetten voor de burgers, maar bij
internationaal is het regelgeving die staten waardevol vinden om na te komen.
- Internationaal PUBLIEK recht = regelgeving om internationale problemen zoals
grensoverschrijdende milieuvervuiling, of terrorisme.
- Internationaal PRIVAAT recht = geschillen tussen natuurlijke of rechtspersonen ( scheiding
Duitser en fransman)
- Kenmerk internationale rechtsorde = afwezigheid van een internationaal rechtssysteem
handhaven.
> dit heeft als gevolg dat er niet een centraal orgaan aan te wijzen is dat wetten of regels
maakt.
> dus de handhaving ligt bij de staten zelf.
- Staten staan een deel van soevereiniteit af aan een internationale organisatie.
- Internationaal recht wordt ook wel volkenrecht genoemd.
1.2
- twee kenmerken van het internationale rechtsorde = gelijkheid en afhankelijkheid
-De spelers in de internationale rechtsorde zijn staten en die kunnen afspraken maken met
andere staten, die worden beschreven in verdragen.
- Door het over en weer sluiten van verdragen ontstaat een kader waarbinnen het
internationaal recht zijn bestaan vindt.
- Momenteel zijn er 193 staten die zelfstandig verplichtingen met andere staten kunnen
aangaan > horizontale rechtsorde
- Staten zijn soeverein = staten kunnen zelf beslissingen nemen en oefenen daarmee hun
recht tot zelfbeschikking uit.
- Soevereiniteit kun je op 2 manieren tonen= als een staat zelfstandig beslissingen kan
nemen en rechtsmacht of jurisdictie van een staat (regels stellen ten aanzien van burgers)
- In het internationale recht zijn staten afhankelijk van elkaar. ( interdependent )
- Belangrijk element is dat staten vreedzaam naast elkaar samen willen leven, dit wordt ook
wel vreedzame co-existentie genoemd.
1.3
- Monisme = internationaal recht is automatisch deel van het nationale rechtsorde.
- Dualisme = Internationaal recht moet worden omgezet in nationaal recht.
- Nederland kent een gematigd monistisch stelsel = het monisme wordt niet vastgelegd maar
een ieder verbindende bepaling in een verdrag van volkenrechtelijke organisaties
verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt.
> geldt dus niet voor internationale gewoonte recht.
- Internationale verdragen worden bekendgemaakt in het Tractatenblad.
,- In geval van strijd tussen nationale en internationaal recht , wordt nationale recht alleen in
geval van een ieder verbindende bepaling opzijgezet. Dit is het geval van rechtstreekse
werking.
- Rechter mag verdragen niet toetsen aan de grondwet (toetsingsverbod) > hiermee wordt
voorkomen dat de rechter op de stoel van het parlement gaat zitten.
,Week 2 (Hoofdstuk 3 +4)
3.1
- Internationale rechtssubjecten: Internationale organisaties, mensen, volken,
bevrijdingsbewegingen.
3.2
- Criteria van een staat: territoir of grondgebied, bevolking, soevereiniteit: regering oefent er
effectief het hoogste gezag uit. (internationale gewoonterecht)
- Grondgebied is niet alleen land maar ook binnenwateren. Staten die aan zee grenzen
kunnen ook een strook zee van max. 12 zeemijlen tot hun grondgebied rekenen. Hiermee
ook de lichtkolommen.
> ook is vereist dat de grenzen exact vaststaan ( ook al is dit niet altijd het geval)
- ius-soli beginsel (territorialiteitsbeginsel) = nationaliteit van rechtswege verkregen, door
ouders.
- ius- sanguinis beginsel (afstammingsbeginsel) = op grondgebied van de staat geboren.
- Geweldsmonopolie= staat kan met geweld regels afdwingen.
> dit zorgt ervoor dat een staat soeverein is, dus regels van de staat de hoogste zijn binnen
een bepaald gebied.
- Vierde criterium = erkenning door andere staten.
> constituerend element betekent dat het geen vereiste meer is om dit vast te stellen.
> Declaratoir element betekent dat de staat bevestigd en erkent het bestaan.
- A contrario = dat als je voldoet aan de eerste 3 criteria en dus een staat bent, heeft zij er
niets aan wanneer andere staten haar niet erkennen.
- Erkenning die uitdrukkelijk gebeurd = de uire , en stilzwijgend = de facto.
3.3
- Totstandkoming van staten: doordat twee of meer bestaande staten zich samenvoegen, of
doordat een nieuwe entiteit zich afscheidt van het grondgebied van een al bestaande staat.
- Zelfbeschikking: wordt in het internationale recht toegekend aan volkeren. Op grond van
dit beginsel mag een volk zelf bepalen tot welke staat het wil behoren en hoe die staat
wordt ingericht.
- Staten hebben recht op vreedzame co-existentie, onafhankelijkheid en gelijkwaardigheid.
3.4
- Internationaal recht is een gevolg van de onderlinge afhankelijkheid (interdependentie) van
staten.
- intergouvernementele organisaties: VN, de EU en de raad van Europa.
3.5
- Natuurlijke personen kunnen na de tweede wereldoorlog, omdat hier is bewezen dat het
volledige bescherming niet aan de staten moet worden gelaten.
3.6
- Rechtspersonen binnen het internationaal recht, dat de overheid en private
rechtspersonen samenwerken.
3.7
,- De-factoregeringen: In het praktijk komt het vaker voor dat staten weinig tot geen controle
hebben over een deel van hun grondgebied. Een opstandige groeperingen die zich verzetten
tegen het staatsgezag van de centrale overheid.
3.8
- Bevrijdingsbewegingen: die strijden tegen racisme, kolonialisme.
4.0
- Het losmaken van een staat die bij een andere staat hoort heet dekolonisatie.
> hierdoor krijgt een deel een eigen jurisdictie.
4.1
- territoriale jurisdictie is de term die wordt gebruikt voor de regels die een staat kan stellen
op zijn grondgebied, zijn territoir. (deze regels omvatten de wetgevende, uitvoerende en
rechtsprekende macht)
> op deze gebieden van de staat kan de nationale overheid zelfstandig besluit nemen.
> UNCLOS hoort hier ook bij, uitstrekt over binnenwateren en over territoriale zee.
> NL hebben we de wadden zee en Zeeuwse wateren.
> wel een onschuldige doorvaart, dus schepen die varen die op de zee mogen dat zonder
gevaar op te leveren.
4.2
- Functionele jurisdictie is de term voor een beperkte mate van jurisdictie of rechtsmacht
over bepaalde gebieden van het nabij gelegen zeegebied.
> dit is de aansluitende zone: na de territoriale zone. Max 24 zeemijl.
> ook het continentaal plat: 200 zeemijl in de zeebodem. Olie en gas.
> exclusieve economische zone: grenst aan de territoriale zee. Eigen beslissingsbevoegdheid
over de exploitatie en het behoud en beheer van de natuurlijke rijkdommen.
4.3
- Personele jurisdictie is dat een staat zijn bevoegdheden ook kan uitoefenen ten aanzien
van personen. Burger en staat zijn verbonden door nationaliteit.
> als volgens de RW ned is bepaald dat een persoon een Nederlandse nationaliteit heeft, kan
de Nederlandse staat zijn personele jurisdictie uitoefenen over Nederlanders in het
buitenland.
- Criminele jurisdictie: bevoegdheid om niet Nederlandse personen te vervolgen in
Nederland. Hierbij is sprake van 5 beginselen:
1. Actieve en passieve territorialiteitsbeginsel: heeft het afgespeeld op de grondgebied van
die staat.
2. actieve nationaliteitsbeginsel: dat de strafwet van toepassing is bij Nederlanders die in het
buitenland schuldig maken. Dit is ook van toepassing bij vreemdelingen.
3. Passieve nationaliteitsbeginsel: dat misdrijven die gepleegd zijn tegen een ieder die zich in
het buitenland hieraan schuldig maakt.
4. Universaliteitsbeginsel: gehele internationale rechtsorde als strafbaar worden gezien.
5. Beschermingsbeginsel: bescherming tegen de misdrijven die gepleegd zijn tegen de staat.
- Extraterritoriale jurisdictie: jurisdictie buiten het grondgebied. Staten die met buurlanden
afspraken hebben gemaakt.
4.4
, Immuniteit beperken de jurisdictie van een staat. Een staat mag dan geen rechtsmacht mag
uitoefenen over personen die immuniteit genieten.
-Staatsimmuniteit: alleen betrekking op staats- en overheidshandelingen. Acte iureimperii.
> overheidshandelingen die betrekking hebben op privaatrecht. Acta iuregestionis.
- Diplomatieke immuniteit: de meeste staten zijn via een diplomatieke vertegenwoordiging
gevestigd in een andere staat met als doel het onderhouden van contact met andere staten.
> de staat die een diplomaat ontvangt wordt een ontvangende staat genoemd.
> de staat die een diplomaat zend wordt een zendstaat genoemd.
> onderscheid met consul.