Week 1 hoofdstuk 1 (uitgezonderd 1.3) hoofdstuk 2.1 t/m 2.6
1.2
- Het strafrecht houdt zich bezig met het straffen van personen die een strafbaar feit hebben
gepleegd. Het straffen gebeurd door de overheid en niet door de burgers zelf. Als burgers een civiel
rechtelijke geschil hebben, dan is dat hun zaak en niet van de overheid.
- In een civielrechtelijke procedure (burger-burger) sleep je elkaar voor de rechter door een
dagvaarding te sturen. Maar bij het strafrecht is dit anders, burgers kunnen elkaar niet dagvaarden.
De enige die een verdachte voor de rechter sleept is de Officier van Justitie.
- Ovj = een staatsorgaan van het openbaar ministerie, hij dagvaardt verdachte waardoor deze
verantwoording afleggen bij de rechter.
- Eigenrichting = het recht in eigen handen nemen (als burger zelf straffen)
-Binnen het strafrechtelijke systeem bestaat er een mogelijkheid voor slachtoffers van strafbare
feiten om als benadeelde partij schadevergoeding te verzoeken bij de strafrechter. ( dit zodat de
slachtoffer makkelijk schade kan verhalen zonder een civielrechtelijke procedure te starten)
1.4
- Strafrecht kan verdeeld worden in drie delen: materieel, formeel, sanctie strafrecht.
- Materieel strafrecht = bepaalt welk gedrag niet is toegestaan en welke personen daarvoor gestraft
kunnen worden (wetboek van strafrecht)
-Formeel strafrecht= strafprocesrecht (wetboek van strafvordering) dit deel bepaalt welke regels
moeten worden vervolgd wanneer een norm van het materiele is overtreden.
-Sanctierecht= heeft betrekking op de voorwaarden waaronder straffen mogen worden opgelegd en
ten uitvoer gelegd. Bv. Of voor een bepaald strafbaar feit een taakstraf mag worden opgelegd.
- Het wetboek van strafrecht bestaat meer uit materieel en sanctie recht MAAR bevat ook paar
onderwerpen over het strafprocesrecht (art 68 sr en art 15 sr)
-wet in formele zin= wetten die gemaakt zijn door de regering en staten generaal.
-wet in materiele zin= algemeen geldende regels.
1.5
- De grondwet draagt in art. 107 de wetgever op om regels van het strafrecht en strafprocesrecht in
wetboeken op te nemen.
- Het strafrecht dat in wetboeken zijn opgenomen worden Commune strafrecht genoemd.
- Strafbepalingen in andere weten bijvoorbeeld wegenverkeerswet, wet wapens en munitie en de
Opiumwet vallen onder Bijzonder strafrecht. (bijzonder bevat en materiele en formele strafrecht)
-Art 91 Sr maakt duidelijk dat bepalingen van boek 1 wetboek van Sr ook van toepassing zijn op
feiten in het bijzonder strafrecht. (bv. Gedagvaard voor misdrijf van het Opiumwet, zal op grond van
art. 45 Sr gekeken moeten worden of er inderdaad sprake is van een misdrijf.)
1.6
-Boek 1 wetboek van Sr zijn algemene leerstukken: van toepassing op alle delicten in het wetboek
van Sr en in het bijzondere strafrecht.
Hoofdstuk 2
2.1
-Een strafbepaling bestaat uit: een delictsomschrijving, kwalificatie aanduiding, strafbedreiging.
-Delictsomschrijving= beschrijft het gedrag dat gestraft wordt.
-Kwalificatie= hoe de gedraging genoemd wordt ( deze ontbreekt soms en wordt dan aangegeven in
de delictsomschrijving)
,-Strafbedreiging= De straf.
-Bij bijzonder is de strafbepaling in een gelaagde structuur > dit betekent dat de delictsomschrijving,
kwalificatie en strafbedreiging uit elkaar in verschillende wetten zijn vermeldt.
2.2
- Opbouw strafbare feit in vier componenten (het vier lagen model)
1. menselijke gedraging > verricht door een persoon en het gedrag moet vertoont zijn dus een
gedachte telt niet.
2. wettelijke delictsomschrijving > moet terug te vinden zijn in het strafrecht anders moet er wel een
strafrechtelijk etiket aan zitten.
3.wederrechtelijkheid> in strijd met het recht ( als het niet wederrechtelijk is spreken we van een
rechtvaardigingsgrond)
4. schuld> verwijtbaar, dus had anders kunnen handelen op dat moment. ( als dit niet het geval is >
schulduitsluitingsgronden > ontslag van alle rechtsgevolgen > TBS)
- wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid wordt er vanuit gegaan dat deze aanwezig zijn bij een
delictsomschrijving.
2.3
- Legaliteitsbeginsel= strafbepalingen moeten in het geschreven recht terug te vinden zijn.
> hierdoor vermeldt de rechter in een vonnis altijd de kwalificatie, dus waarvoor hij/zij gestraft
wordt.
- Verbod van terugwerkende kracht= gedrag is pas strafbaar als het ten tijde van het begaan van de
strafbare feit het in de wet strafbaar is gesteld.
- Soms moet de rechter de wet interpreteren.
- Interpretatiemethoden:
1. wetshistorische interpretatie: gekeken naar de totstandkomingsgeschiedenis van een kwestie. Bv
kamerstukken.
2. Grammaticale interpretatie: aan de hand van de taalkundige betekenis van woorden.
3. systematische interpretatie: uitgelegd aan de hand van de systematiek van de wet.
4. Teleologische interpretatie: gekeken naar de doel van de wetgever.
2.4
- Bestanddelen zijn onderdelen waaruit een delictsomschrijving bestaat.
- Elementen zijn wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid > de niet in de wet opgenomen
voorwaarden voor strafbaarheid.
2.5
- Wederrechtelijkheid wordt in sommige gevallen als bestanddeel gebruikt. Dus dan is het geen
element meer maar een bestanddeel.
2.6
-Strafbare feiten kun je onderverdelen in misdrijven en overtredingen.
- Bij het wetboek van Strafrecht: staan de misdrijven in het tweede boek en de overtredingen in de
derde boek.
- Onderscheid tussen deze twee is belangrijk door drie redenen:
1. procesrechtelijke reden: de indeling bepaalt welke soort rechter bevoegd is voor de zaak.
2. materieel rechtelijk verschilpunt: poging tot overtreding is niet strafbaar maar poging tot misdrijf
wel.
3. toepassing van dwangmiddelen: bv aftappen telefoon mag alleen bij misdrijven.
- Formele en materiele delicten: formeel staat beschreven als een handeling die strafbaar is gesteld.
Materieel is het veroorzaken van een gevolg dat strafbaar is gesteld.
,- Commissie en omissiedelicten: commissie is het actief handelen bij een delict dus bv moord.
Omissie is een strafbaar feit door het nalaten van iets. Oneigenlijk omissie delict is dat het delict
beschreven staat als een commissie maar dat het ontstaan is door nalaten dus omissie.
- Gekwalificeerde en geprivilegieerde delicten: gekwalificeerde is als het extra bestanddeel
strafverzwarend werkt. En geprivilegieerde is als het bestanddeel strafvermindering werkt.
,Week 2 (hoofdstuk 7.1 t/m 7.3 en 8.1 t/m 8.3.6)
7.1 –
7.2 –
7.3
-verdachte is de vermoedelijke dader van het delict.
-Verdachte en de raadsman samen worden de ‘verdediging’ genoemd.
- Als een slachtoffer schadevergoeding wilt kan het zich voegen als benadeelde partij in het
strafproces.
-Onschuldpresumptie: elke vermoedelijke dader wordt voor onschuldig gehouden tot dat het
tegendeel is bewezen.
- Rechten van de verdachte:
1. zwijgrecht: nemo tenetur, verdachte mag niet gedwongen worden om een verklaring af te leggen.
Pressieverbod: op de verdachte mag geen druk worden uitgeoefend.
Verdachte moet volgens artikel 29 lid 2 Sv op de hoogte worden gesteld van zijn zwijgrecht: cautie.
(verzuim van cautie kan er voor zorgen dat de verklaring niet wordt gebruikt als bewijs)
2. Recht op rechtsbijstand: een verdachte heeft recht op een advocaat.
Als er een advocaat wordt aangewezen via overheidswege: piket- advocaat.
(als een verdachte wordt verdacht voor een feit met meer dan 12 jaar gevangenisstraf, dan wordt er
automatisch een advocaat toegevoegd.
Verdachte heeft recht om een half uur voor het verhoor met de advocaat te praten>
consultatiebijstand.
Als een verdachte zichzelf bijstaat wordt dit verhoorbijstand genoemd.
3. Recht op kennisneming van processtukken.
- Wanneer een getuige wordt gehoord is hij niet verplicht om te verschijnen en ook niet verplicht om
een verklaring af te leggen.(valse verklaringen zijn schuldig maken aan meineed)
> als de verhoring bij de rechter-commissaris is ben je wel verplicht te verschijnen. Weiger je te
verschijnen dan wordt je gegijzeld dus gedetineerd. (Bij sommige gevallen hoef je geen verklaring af
te leggen als het bv. Sprake is van dat je zelf wordt vervolgd bij het afleggen van de verklaring. Dit
noem je verschoningsrecht art 217 Sr)
8.1
- Wanneer de politie een strafrechtelijke onderzoek start is dat een voorbereidend onderzoek. Hier
zal worden onderzocht of er een strafbaar feit is gepleegd en of een verdachte kan worden
gevonden. Dit is het onderzoek dat aan het onderzoek ter terechtzitting voorafgaat.
> op basis van de onderzoek kan de officier bepalen of hij de verdachte zal dagvaarden, een
strafbeschikking zal ontvangen of de zaak seponeren.
- Je hebt het verkennend onderzoek en opsporingsonderzoek. Het verkennend onderzoek is bedoeld
om beeld te krijgen van een bepaalde sector waarvan vermoedt wordt dat er georganiseerde
criminaliteit plaatsvindt.
> bij het opsporingsonderzoek wordt er onderzoek gedaan onder verantwoordelijkheid van de OvJ
naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan. Dit wordt onderzocht
door politieambtenaren en ook een rechter-commissaris kan een rol hebben. (De rechter-
commissaris mag niet deelnemen aan de onderzoek ter terechtzitting!)
8.2
- Wanneer op grond van feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden is gerezen dat er een
strafbaar feit heeft plaatsgevonden, spreken we van een verdenking.
> Als er op basis van verdenking een onderzoek wordt gestart, dan is dat een opsporingsonderzoek.
- Toch wordt er soms een opsporingsonderzoek gedaan op het moment dat er nog een verdenking is,
dit noem je proactief onderzoek.
, - veel bijzondere weten geven de bevoegdheid om controles te doen, controlebevoegdheden.
> wanneer deze worden misbruikt spreken we van detournement de pouvoir.
- twee soorten opsporingsambtenaren:
1. algemene opsporingsambtenaren: Art. 141 Sv. Ovj, politieambtenaren, opsporingsdiensten.
2. buitengewone opsporingsambtenaren: art 142 Sv. Bepaalde strafbare feiten, bv boswachters.
- Het OM is leider van het opsporingsonderzoek.
8.3
Buiten heterdaad mag als er een voorlopige hechtenis is. Art 67 lid 1 Sr > lid a,b,c.
-ophouden voor verhoor moet je altijd controleren of het 6 uur of 9 uur is > dit heeft te maken met
voorlopige hechtenis.
1. Staande houden > art. 52 Sv, enige doel is het achterhalen van de identiteit van een persoon.
Weigert de verdachte dan is gepast geweld toegestaan, als de verdachte zich verzet dan maakt hij
zich schuldig aan wederspannigheid art. 180 sr.
2. Aanhouden > art 53 Sv, arresteren, een soort vrijheidsberoving om de verdachte te laten
verhoren.
3. Ophouden voor verhoor > art 56a Sv
4. Inverzekeringstelling > 3 dgn art 57 Sv ( het is mogelijk om deze te verlengen met extra drie
dagen, alleen de OvJ beslist hierover.
5. In bewaring stelling > Rechter-commissaris art 67 en art 67a SV > 14 dagen art 63 Sv
6. Gevangenhouding > Raadkamer (drie rechters) art 65 Sv (max 90 dgn)
( 5+6 samen is de voorlopige hechtenis en de voorarrest)
-Opsporingsambtenaren moeten in beginsel altijd een proces-verbaal maken. Op die manier is het
terug te lezen wat er precies is gebeurd.
-Ontdekking op heterdaad: 128 Sv, wanneer het strafbaarfeit ontdekt wordt, terwijl het begaan
wordt. In dit geval is een ieder bevoegd om de verdachte aan te houden. Wel moet de verdachte
zsm overgedragen worden aan een opsporingsambtenaar.
-Ontdekking geen sprake van heterdaad hebben alleen opsporingsambtenaren de
aanhoudingsbevoegdheid. 3 voorwaarden: er moet een verdachte zijn (artikel 27 Sv), een strafbaar
feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten( artikel 54 lid 1 Sv), aanhouding door een bevoegde
persoon.
- bewaring en gevangenhouding = voorlopige hechtenis
- Voorarrest = Inverzekeringstelling + voorlopige hechtenis
- Voor bewaring en gevangenhouding voorwaarden: sprake zijn van een geval, waarin voorlopige
hechtenis is toegelaten en van een grond voor voorlopige hechtenis en ernstige bezwaren tegen de
verdachte bestaan.
- maximumtermijn voorlopige hechtenis is 14 dagen.
- Voor bewaring beslist de rechter commissaris maar bij een gevangenhouding beslist de raadkamer
van de rechtbank.
- gevangenhouding is maximaal 30 dagen met 2 keer verlenging dus 90 dagen.
> als dit ook niet genoeg is kan de officier voorlopig dagvaarden.
Week 3 (H7.4.1, 7.4.2, H9, h10 niet 10.6 en H11)
7.4
-Procesfasen:
1. Opsporingsonderzoek, dit bestaat uit een voorbereidend onderzoek en is onder
verantwoordelijkheid van de Officier.
2. Onderzoek ter terechtzitting, wordt ingeleid door een dagvaarding. De dagvaarding bevat
een tenlastelegging, hierin staan de feiten die de verdachte is begaan. Onderzoek ter
terechtzitting begint wanneer de strafzaak wordt uitgeroepen (artikel 270 Sv)