Hoorcollege 1 – Introductie
Doelen diagnostiek
1. Beschrijven
- Wat is er aan de hand met X?
- Wat zijn de mogelijkheden voor X?
- Op welk niveau zit X?
2. Verklaren
- Waar komt het gedrag/gevoel van X vandaan?
3. Indiceren
- Wat heeft X nodig om beter te functioneren en wat niet?
4. Voorspellen
- Hoe verwachten we dat X in de toekomst zal functioneren?
5. Evalueren
- Gaat het nu beter met X?
Bias in de diagnostiek
Representativiteitsbias = mensen stereotype categoriseren door eerdere ervaringen
Confirmatie bias = info zoeken die je eigen theorie bevestigt
Confirmatorische teststrategie = alleen testen op wat je al vermoedt
Gedragsconfirmatie = iemand sturen in de richting die jij verwacht
Causale actor-observator attributie = gedrag van anderen toeschrijven aan interne
factoren en gedrag van jezelf toeschrijven aan externe factoren
Beschikbaarheidsbias = als je ergens veel van ziet ga je dat sneller gebruiken als
verklaring
Base fallacy = hoe meer beschrijving hoe geloofwaardiger het is
Anchoring = je drempelwaarde wordt bepaald door je basiswaarde (wat je gewend bent)
Hulpmiddelen bij objectieve onderbouwde diagnostiek
1. Tests
2. Testtheorie (kwaliteit)
3. Hypothese toetsend model
Type tests Gestandaardiseerd of niet?
Maximum performance Objectief of subjectief?
- Achievement = wat heb je geleerd
- Aptitude = wat kan je Norm-referenced of criterion-referenced?
- Speed = zo snel mogelijk
- Power = zo goed mogelijk
Typical response: alleen kunnen kiezen uit antwoorden als ‘mee eens’
Projectieve: vrij en met ambigue stimuli
‘Authentic’ assessment: jezelf presenteren
,Een goede test
Gebaseerd op theorie
Meet het construct wat het wil meten
Herhaalbaar
Niet afhankelijk van toeval
Uitvoerbaar
Stappen diagnostiek Observatie
1. Vraag- en strategiebepaling
- Wat wil je écht weten?
Evaluatie Inductie
- Geen ongewenste diagnostiek: test bij vraag
- Hypothese toetsend werken
2. Testkeuze en afname
3. Interpreteren en wegen van de gegevens Toetsen Deductie
- Kwaliteit
- Resultaten
- Beslissing met consequenties?
Niveaus van testgebruik
Groepsniveau
Minder belangrijk individueel
Belangrijk individueel
Hoorcollege 2 – De diagnostische cyclus
Het risico van biases
Belangrijke factoren niet opmerken
Atypische gevallen niet opsporen
Verkeerde diagnoses
Een goede diagnosticus werkt…
1. Evidence based
2. Met goede meetinstrumenten
3. Hypothesetoetsend
4. Met een navolgbare strategie voor besluitvorming: cyclus volgen
Diagnoses
Verhelderende = klachten?
Onderkennende = wat is er aan de hand?
Verklarende = hoe komt dit?
Indicerende = wat is er nodig?
Regulatieve cyclus
, Om beslissingen te nemen
Situatiespecifiek
Diagnostische cyclus (DC)
1. Advies
6. Aanmelding
5. Klachtenanalyse 4. Probleemanalyse
(KA) (PA)
3. Verklaringsanalyse 2. Indicatieanalyse
(VA) (IA)
3. Probleemanalyse
a. Probleemgedrag uit KA in categorieën zoals emotioneel of cognitief clusteren
b. Ernst van de problemen bepalen a.d.h.v. de criteria van Rutter: frequentie, leeftijdspassend,
situatiegebonden, lang of recent, pathologie, beperkingen
c. Eventueel onderkennend onderzoek: aard en ernst testen; criteria toetsen met DSM-5 (vooraf
toetsingscriteria formuleren: als uit de test/interview … komt, dan is er sprake van…)
4. Verkaringsanalyse
Zoeken naar condities die de problemen in stand houden of veroorzaken; verklarende
hypothesen op basis van literatuur en waarschijnlijkheid opstellen
a. Diagnostisch denkschema maken
b. Operationalisatie van de condities (tests, gesprekken, etc)
c. Vooraf toetsingscriteria van condities formuleren
5. Indicatieanalyse
Formuleren van behandelings- en begeleidingsvoorstellen; kijken wat we weten over de
behandelingen en wat bij de cliënt past
- De kans van slagen inschatten
- Advies formuleren
6. Advies
a. Bespreek onderkenning en integratieve beeld (model)