1. Wat is de basis van het empirisme in de psychologie?
○ A) Gedrag komt voort uit biologische processen.
○ B) Kennis komt voort uit ervaringen en observaties.
○ C) Alle gedrag is aangeboren.
○ D) Het bewustzijn is gestructureerd in onderdelen.
2. Wie richtte het eerste psychologische laboratorium op in 1879?
○ A) Sigmund Freud
○ B) William James
○ C) Wilhelm Wundt
○ D) John Watson
3. Welke techniek gebruikte Wundt om het bewustzijn te bestuderen?
○ A) Hypnose
○ B) Introspectie
○ C) Klassieke conditionering
○ D) Operante conditionering
4. Wat was de focus van Edward Titchener's structuralisme?
○ A) Het geheel van het bewustzijn bestuderen
○ B) Het analyseren van de structuur van het bewustzijn
○ C) Het identificeren van onbewuste processen
○ D) De functie van het bewustzijn begrijpen
5. Welke psychologische stroming benadrukt dat het geheel meer is dan de som
van de delen?
○ A) Functionalisme
○ B) Structuralisme
○ C) Behaviorisme
○ D) Gestaltpsychologie
6. Wat is een kernbegrip in de psychoanalyse van Freud?
○ A) Het bewustzijn is de enige bron van gedrag.
○ B) Gedrag is het resultaat van bewuste gedachten.
○ C) Onbewuste processen bepalen gedrag.
○ D) Gedrag wordt bepaald door natuurlijke selectie.
7. Wat stelt de evolutionaire psychologie over gedrag en mentale processen?
○ A) Ze worden volledig bepaald door genetische verschillen.
○ B) Ze worden gevormd door ervaringen uit het verleden.
○ C) Ze zijn het resultaat van natuurlijke selectie.
○ D) Ze zijn niet observeerbaar en daarom irrelevant.
8. Welke benadering richt zich op observeerbaar gedrag en de invloed van het
verleden?
○ A) Cognitieve benadering
○ B) Behavioristische benadering
○ C) Psychodynamische benadering
○ D) Humanistische benadering
9. Welke benadering benadrukt de invloed van hormonen, genen en
hersenactiviteit op gedrag?
○ A) Cognitieve benadering
○ B) Biologische benadering
, ○ C) Psychodynamische benadering
○ D) Evolutionaire benadering
10. Wat stelt de humanistische benadering over gedrag?
● A) Gedrag is het gevolg van aangeboren instincten.
● B) Gedrag wordt voornamelijk gevormd door de omgeving.
● C) Gedrag komt voort uit de perceptie van het individu over de wereld.
● D) Gedrag is het resultaat van onbewuste mentale processen.
Antwoorden hoofdstuk 1
1. B
2. C
3. B
4. B
5. D
6. C
7. C
8. B
9. B
10. C
Hoofdstuk 5 vragen
1. Wat is het belangrijkste doel van aanpassing (adaptation) volgens Charles
Darwin?
○ A) Om de hersenen te ontwikkelen
○ B) Om te overleven in een veranderende omgeving
○ C) Om nieuwe vaardigheden te leren
○ D) Om sociale interacties te verbeteren
2. Wat wordt bedoeld met 'dishabituation'?
○ A) De eerste reactie op een nieuwe stimulus
○ B) Een verhoogde reactie op een oude stimulus na gewenning
○ C) Het terugkeren naar de oorspronkelijke reactie na gewenning
○ D) Een tijdelijke afname van een reactie op een stimulus
3. Wat is een voorbeeld van 'sensitization'?
○ A) Gewend raken aan het geluid van verkeer
○ B) Sneller reageren op een schrikreactie in een spookhuis
○ C) Niet meer schrikken van een harde knal
○ D) Veranderingen in het gedrag door een nieuwe omgeving
4. Welke term beschrijft het fenomeen waarbij een geconditioneerde respons
optreedt bij stimuli die lijken op de geconditioneerde stimulus?
○ A) Stimulusdiscriminatie
○ B) Habituatie
○ C) Stimulusgeneralizatie
○ D) Sensitization
5. Wat is de 'wet van effect'?
○ A) Elke reactie leidt altijd tot hetzelfde resultaat
○ B) Reacties die bevredigend zijn, worden vaker herhaald