1. Welke anamneses gebruik je bij een intake en waarvoor?
2. Wat is het verschil tussen een diagnose en een classificatie?
3. Wat is een conatieve functie?
4. Wat is het verschil tussen een luxerende en een predisponerende factor?
5. Noem de diagnoses van de klachten-, probleem- en verklaringsanalyse van de diagnostische cyclus.
6. Noem 3 ondersteuningen van het transdiagnostisch model.
7. Wat is het verschil tussen het latente variabelen model en het netwerkmodel wat betreft comorbiditeit?
8. Wat zijn de 3 therapeutische niveaus binnen de transdiagnostiek bij CGT en licht ze kort toe.
9. Noem een groot verschil tussen het netwerkmodel en het huidige classificatiesysteem (DSM-5).
10. Wat is het verschil tussen de sociale angststoornis en de dwangmatige stoornis wat betreft cognitieve kern?
11. Wat is het verschil van betekenis- en functie-analyse?
12. Welke 3 soorten exposure worden er toegepast bij angststoornissen? Noem vervolgens situaties waarin de
vormen worden toegepast.
13. Wat is het verschil tussen agorafobie en sociale angst?
14. Noem 3 processen die angststoornissen in stand houden.
15. Antisociale gedragsproblemen worden beoordeeld als dimensioneel construct. Wat wordt hiermee bedoeld?
16. Is de oppositioneel opstandige gedragsstoornis de opvolger te noemen van de norm-overschrijdende
gedragsstoornis? Waarom wel/niet?
17. Is de periodieke explosieve stoornis kenmerkend d.m.v. proactieve of reactieve agressie?
18. Noem 3 problematiek-aspecten waar zowel pesters als slachtoffers van pesten een hogere kans op hebben?