Economie Levensloop H1 t/m H7
Hoofstuk 1: Keuzes
Sommige keuzes zijn gedwongen en sommige zijn vrij. Bij een gedwongen keuze
moet je het wel doen. Zoals werken om je gezin te onderhouden. Een vrije keuze is
wanneer je twee keuzes hebt maar je niet word gedwongen om er 1 te kiezen.
Je hebt consumeren en investeren.
Investeren is dat een bedrijf iets koopt om daarmee iets te produceren. Dat kan
bijvoorbeeld een machine zijn maar ook meel om een brood mee te bakken. Bij
consumeren koopt de consument een product om het te gaan gebruiken.
Middelen kunnen op meerdere manieren worden gebruikt. Dat betekend dat
middelen alternatief aanwendbaar zijn. Bijvoorbeeld een appel
In de economie gebruiken we de term schaarste. De term schaarste betekent in de
economie dat er inspanning moet zijn geleverd om het product te verkrijgen. In het
dagelijks leven betekend schaarste dat er weinig van is. dat noemen we in de
economie absolute schaarste. Voor vrije goederen zijn geen schaarse middelen
nodig.
Als je een keuze maakt kies je voor een bepaalde optie. En offer je de andere optie
op. Het gene wat je opoffert noem je de opofferingskosten. De opofferingskosten kan
uit geld bestaan maar ook uit opgeofferde tijd of energie.
De opofferingskosten: bestaan uit de waarde van het op een na beste optie.
Rendement = winst
Budgetvergelijking = de formule v een budgetlijn
Nominale budget: budget in euro’s
Reële budget: budget ten opzichte van prijsstijgingen
Reële inkomen: (index nominale inkomen : index prijzen) x 100
, De speltheorie:
Bij een speltheorie zijn er optie die twee partijen kunnen maken. Maar zij weten van
elkaar niet welke keuze ze gaan maken. (kijk in het figuur hieronder)
In de speltheorie zijn er een aantal begrippen en regels die het spel beschrijven:
Gevangenendilemma:
Een situatie bekend uit de speltheorie waarbij twee partijen voor de keus staan
samen te werken of niet, waarbij samenwerken meer oplevert dan niet
samenwerken. (Dominante strategie is anders dan de ideale strategie).
Bepalen: je bewijst een gevangenendillema met 4 regels.
Spelers:
De spelers zijn de twee partijen die de keuzes maken. Dat kunnen mensen zijn maar
ook bedrijven op sportclubs. De spelers weten even veel van elkaar, de informatie is
symmetrisch. De spelers handelen rationeel, ze streven allebei naar een zo goed
mogelijk resultaat. (de pay-off)
Pay-off:
De pay-off bestaat uit de verwachte opbrengst. De pay-off kan bestaan uit winst of
omzet maar ook uit tijd. De uiteindelijk pay-off hangt af van allebei de partijen. De
mogelijk pay-offs worden aangegeven in een pay-off matrix. (zoals de tabel
hierboven)
Strategie:
De partijen kiezen bijna altijd de dominante strategie. Dat is de keuze die met de
grootste kanst het meest oplevert. bijvoorbeeld in het plaatje hierboven is de
dominante strategie actie twee voor de rijspeler omdat dat in alle gevallen meer
oplevert dan actie 1. De ideale strategie is eigenlijk de meest perfecte uitkomst
voor beide partijen. Maar die ontstaat bijna alleen met overleg tussen beide spelers.
Evenwicht:
Hoofstuk 1: Keuzes
Sommige keuzes zijn gedwongen en sommige zijn vrij. Bij een gedwongen keuze
moet je het wel doen. Zoals werken om je gezin te onderhouden. Een vrije keuze is
wanneer je twee keuzes hebt maar je niet word gedwongen om er 1 te kiezen.
Je hebt consumeren en investeren.
Investeren is dat een bedrijf iets koopt om daarmee iets te produceren. Dat kan
bijvoorbeeld een machine zijn maar ook meel om een brood mee te bakken. Bij
consumeren koopt de consument een product om het te gaan gebruiken.
Middelen kunnen op meerdere manieren worden gebruikt. Dat betekend dat
middelen alternatief aanwendbaar zijn. Bijvoorbeeld een appel
In de economie gebruiken we de term schaarste. De term schaarste betekent in de
economie dat er inspanning moet zijn geleverd om het product te verkrijgen. In het
dagelijks leven betekend schaarste dat er weinig van is. dat noemen we in de
economie absolute schaarste. Voor vrije goederen zijn geen schaarse middelen
nodig.
Als je een keuze maakt kies je voor een bepaalde optie. En offer je de andere optie
op. Het gene wat je opoffert noem je de opofferingskosten. De opofferingskosten kan
uit geld bestaan maar ook uit opgeofferde tijd of energie.
De opofferingskosten: bestaan uit de waarde van het op een na beste optie.
Rendement = winst
Budgetvergelijking = de formule v een budgetlijn
Nominale budget: budget in euro’s
Reële budget: budget ten opzichte van prijsstijgingen
Reële inkomen: (index nominale inkomen : index prijzen) x 100
, De speltheorie:
Bij een speltheorie zijn er optie die twee partijen kunnen maken. Maar zij weten van
elkaar niet welke keuze ze gaan maken. (kijk in het figuur hieronder)
In de speltheorie zijn er een aantal begrippen en regels die het spel beschrijven:
Gevangenendilemma:
Een situatie bekend uit de speltheorie waarbij twee partijen voor de keus staan
samen te werken of niet, waarbij samenwerken meer oplevert dan niet
samenwerken. (Dominante strategie is anders dan de ideale strategie).
Bepalen: je bewijst een gevangenendillema met 4 regels.
Spelers:
De spelers zijn de twee partijen die de keuzes maken. Dat kunnen mensen zijn maar
ook bedrijven op sportclubs. De spelers weten even veel van elkaar, de informatie is
symmetrisch. De spelers handelen rationeel, ze streven allebei naar een zo goed
mogelijk resultaat. (de pay-off)
Pay-off:
De pay-off bestaat uit de verwachte opbrengst. De pay-off kan bestaan uit winst of
omzet maar ook uit tijd. De uiteindelijk pay-off hangt af van allebei de partijen. De
mogelijk pay-offs worden aangegeven in een pay-off matrix. (zoals de tabel
hierboven)
Strategie:
De partijen kiezen bijna altijd de dominante strategie. Dat is de keuze die met de
grootste kanst het meest oplevert. bijvoorbeeld in het plaatje hierboven is de
dominante strategie actie twee voor de rijspeler omdat dat in alle gevallen meer
oplevert dan actie 1. De ideale strategie is eigenlijk de meest perfecte uitkomst
voor beide partijen. Maar die ontstaat bijna alleen met overleg tussen beide spelers.
Evenwicht: