Samenvatting Cursus 3 en Cursus 4
Cursus 3
Literaire teksten en zakelijke teksten
Zakelijke teksten: informatieoverdracht staat centraal, de tekst moet eenduidig, geen fratsen
dus.
Literaire teksten: informatieoverdracht staat minder op de voorgrond. De tekst is meerduidig, je
kan het op meerdere manieren opvatten. Schrijvers denken na over hoe ze iets opschrijven =
bewuste verwoording. Er is sprake van literair taalgebruik.
Stijlfiguren
Stijlfiguren: een wijze van formuleren met bepaalde kenmerken, er worden geen beelden
gebruikt:
- antithese/tegenstelling = leven/dood oorlog/vrede.
- paradox = schijnbare tegenstelling, de laatste zullen de eerste zijn of van leven ga je dood.
- herhaling = woord/woordgroep wordt vrijwel ongewijzigd herhaald.
- opsomming = opsomming van namen feiten of gegevens.
- parallellisme = dezelfde zinsopbouw in nadruk te geven.
- pleonasme = een deel van de betekenis van een woord wordt herhaald, zoals: witte sneeuw.
- tautologie = de gehele betekenis van het woord wordt herhaald.
- hyperbool = overdrijving, zoals: ik ga kapot van de hitte.
- retorische vraag = een vraag waar het antwoord al in zit.
- eufemisme = verzachtende manier van formuleren.
- understatement = het is hetzelfde als eufemisme, maar dan met humor.
- chiasme = herhaling met omkering (kruisstelling).
- ellips = weglating.
Beeldspraak
Beeldspraak: betekenis geven door beelden op te roepen bij de lezer. Een object wordt
vergeleken met een beeld:
- Vergelijking met als (beeld en object): die man is zo groot als een reus.
- Vergelijking zonder als (beeld en object): de man is een reus die door de stad loopt.
- Metafoor (alleen het beeld wordt genoemd): het is een zwijnenstal.
- Personificatie (iets levenloos wordt als levend voorgesteld): mijn hart zei me…
- Metonymia (ipv het object wordt alleen de eigenschap genoemd): nieuwe Adidasjes halen.
- Synesthesie (waarnemen van verschillende zintuigen): scherpe smaak, warme kleur.
Symbolen
Symbolen: iets staat symbool voor iets anders, diepere en figuurlijkere betekenis.
Stijlbreuken en ironie
Stijlbreuk: je hebt een vaste stijl, maar deze doorbreek je ineens door op een andere manier
dingen te verwoorden.
Ironie: milde spot.
Sarcasme: je zegt het tegenovergestelde.
Cynisme: je hebt er geen vertrouwen in.
Cursus 4
Cursus 3
Literaire teksten en zakelijke teksten
Zakelijke teksten: informatieoverdracht staat centraal, de tekst moet eenduidig, geen fratsen
dus.
Literaire teksten: informatieoverdracht staat minder op de voorgrond. De tekst is meerduidig, je
kan het op meerdere manieren opvatten. Schrijvers denken na over hoe ze iets opschrijven =
bewuste verwoording. Er is sprake van literair taalgebruik.
Stijlfiguren
Stijlfiguren: een wijze van formuleren met bepaalde kenmerken, er worden geen beelden
gebruikt:
- antithese/tegenstelling = leven/dood oorlog/vrede.
- paradox = schijnbare tegenstelling, de laatste zullen de eerste zijn of van leven ga je dood.
- herhaling = woord/woordgroep wordt vrijwel ongewijzigd herhaald.
- opsomming = opsomming van namen feiten of gegevens.
- parallellisme = dezelfde zinsopbouw in nadruk te geven.
- pleonasme = een deel van de betekenis van een woord wordt herhaald, zoals: witte sneeuw.
- tautologie = de gehele betekenis van het woord wordt herhaald.
- hyperbool = overdrijving, zoals: ik ga kapot van de hitte.
- retorische vraag = een vraag waar het antwoord al in zit.
- eufemisme = verzachtende manier van formuleren.
- understatement = het is hetzelfde als eufemisme, maar dan met humor.
- chiasme = herhaling met omkering (kruisstelling).
- ellips = weglating.
Beeldspraak
Beeldspraak: betekenis geven door beelden op te roepen bij de lezer. Een object wordt
vergeleken met een beeld:
- Vergelijking met als (beeld en object): die man is zo groot als een reus.
- Vergelijking zonder als (beeld en object): de man is een reus die door de stad loopt.
- Metafoor (alleen het beeld wordt genoemd): het is een zwijnenstal.
- Personificatie (iets levenloos wordt als levend voorgesteld): mijn hart zei me…
- Metonymia (ipv het object wordt alleen de eigenschap genoemd): nieuwe Adidasjes halen.
- Synesthesie (waarnemen van verschillende zintuigen): scherpe smaak, warme kleur.
Symbolen
Symbolen: iets staat symbool voor iets anders, diepere en figuurlijkere betekenis.
Stijlbreuken en ironie
Stijlbreuk: je hebt een vaste stijl, maar deze doorbreek je ineens door op een andere manier
dingen te verwoorden.
Ironie: milde spot.
Sarcasme: je zegt het tegenovergestelde.
Cynisme: je hebt er geen vertrouwen in.
Cursus 4