College 1
Muziek van Oudeheid tot Nu
Oudheid:
Klanken mytische/rituele betekenis
Geluid geproduceerd door de mens
Instrumenten: rendiervoetkootjes (vanaf 60.000 v.C.)
Fluiten met toongaten (50.000-10.000 v.C.)
Van twee, naar drie, naar uiteindelijk vijf tonen (pentatonisch).
Grieken:
Kunst & wetenschap
- Pythagoras wiskundige wetten, toonhoogte en ritme. Diatonisch (7 tonen).
- Plato & Aristoteles beïnvloeding van karakter en gedrag van mensen. Muziek en
lichamelijke opvoeding net zo belangrijk als wiskunde in het onderwijs.
Kruistochten:
- Invloeden/instrumenten vanuit Azië naar Europa gekomen
- Zijderoute ^
Ontwikkelingen door de eeuwen heen:
Telkens vernieuwing door:
- Experimenteren met toonhoogte/toonduur/akkoorden
(samenklanken)/expressie/samenstelling van ensembles/nieuwe muziekinstrumenten
- Historische ontwikkelingen. Componisten kregen meer status, hierdoor was er meer behofte
aan regels (Barok en Klassieke periode) maar werden in de 20 e eeuw overboord gezet.
- Oude regels blijven invloed houden en gelden eigenlijk nog steeds.
Drie vormprincipes sinds Barok:
- Herhaling (bv Sabeldans van Khachaturian)
- Variatie herhaling maar dan een beetje anders (bv Bolero van Ravel)
- Contrast heel anders (bv Symfonie 94 van Haylo)
De verhouding van de gulden snede, zoals die door Euclides (300 v.C.) was berekend, wordt sindsdien
door componisten toegepast.
Normaliter: (bv Birds van Anouk)
Couplet variatie
Refrein herhaling
Couplet variatie
Refrein herhaling
Bridge contrast
Refrein (toontje hoger) herhaling/variatie
Refrein herhaling/variatie
Slot
, College 2
Middeleeuwen
- Prehestorie: Boomstammen, snaar van een boog, holle botten.
- Egypte: vooral gezang tijdens werk
- Babylonië: begeleiding door lieren, fluiten en waarschijnlijk al een soort notenschrift
- Hebreeën (Koning David, 1000 v.C.): koor van 300 zangers plus harpen, lieren, eimbalen,
trompetten
- Grieken: legers begeleid door muziek, ook: mythologische spelen begeleid met schoonheid
als doel
- Romeinen (200 v.C.): militaire fanfare orkesten, maar ook: Nero met z’n ‘songfestivals’
- Als het Romeinse Rijk instort: veel inspiratie voor heldendichten
- Dan 300 jaar veel onrust met weinig ontwikkeling tot 600
- 600 Paus Gregorius: eenheid, ordening, structuur in liturgie
- 800 Karel de Grote: verordenneert katholicisme en Gregoriaanse gezangen
Middeleeuwen: Christelijke kerk dominant
o Machtig
o Stibiliserend
o En centrum der kunsten:
Architectuur (kathedralen)
Beeldhouw- en schilderkunst
Muziek (erediensten)
Karel de Grote verordenneert het Christelijk geloof. Er is behoefte aan eenheid in liturgie en in de
gezangen. Paus Gregorius I verordonneerde ordening en structuur in de liturgie.
Kenmerken Gregoriaans (600-1150)
- Eenstemmig
- A capella (geen instrumentale begeleiding)
- Kleine toonhoogteverschillen (intervallen)
- Melimatisch (meerdere tonen op één lettergreep)
1300: Vernieuwingsdrang
- Gezag van de Paus werd in twijfel getrokken scheiding van kerk en staat, geloof en
wetenschap
- Literatuur: Dante, Petrarca, Chaucer
- Schilderkunst: Giotto (begin realisme, perspectief)
- Muziek: Ars Nova (1300-1400)
o Eenheid in compositie
o Dans
o Meer instrumenten
- Meer wereldlijke muziek dan geestelijke muziek
- Vaker nieuw gecomponeerde muziek (en dus minder geleend materiaal)
- Ingewikkelder ritmen, kleinere notenwaarde (kortere noten)
- Voorkeeur voor tertsen en exten in plaats van octaaf, kwart en kwintet (begin van onze
harmonische meerstemmigheid en het begin van de renaissance)
Instrumenten
- De vedel (vergelijkbaar met een viool)
- De schalmel (vergelijkbaar met een hobo)