DNA STRUCTUUR EN REPLICATIE
Leeuwenhoek 1677 – ontdekt sperma
Swammerdam late 17e eeuw – preformatie theorie: oneindige successie vanaf de creatie tot nu.
Spermisten vs ovisten
Darwin 1809-1882 – pangenesis: gemmules waren een soort lichaampjes waar erfelijkheid in zit, als
mensen zich voortplanten komen er gemmules van beide ouders in het kind en zo had het kind
erfelijke informatie van beide ouders.
Pangenes: oorsprong van genen (factoren die erfelijk materiaal bevatten).
Mendel 1822-1884 – in 1866 statistische modellen erfelijkheid. Bij mendel is er geen mengprobleem
zoals bij Darwins pangenesis. Mendel ontdekte 3 belangrijke wetten:
1. Segregatie wet
2. Dominantiewet
3. splitsingswet
miescher 1844-1895 – samenstelling witte bloedcellen. 1871 ontdekt nucleïne in pus. Ontdekker
van DNA.
Correns 1864-1933 – herontdekte en valideerde Mendel. Extra nucleaire erfelijkheid.
De Vries 1848-1935 – herontdekte en valideerde Mendel. Introduceert ‘mutatie’. Speculeerde over
crossing over in 1903.
Morgan 1866-1945 – nobel prijs: chromosomale theorie 1933. Drosophila melanogaster. Zijn lab
ontdekte:
1. chromosomale theorie van erfelijkheid
2. genetische linkage; bepaalde eigenschappen kunnen aan elkaar gekoppeld zijn en de kans
dat ze gezamenlijk overerven is veel groter dan dat ze apart overerven.
3. chromosomale crossing over
4. non-disjuntie
Avery en Mccarty – 1944 doorslaggevend experiment wat duidelijk maakte wat de chemische drager
van het erfelijk materiaal is.
Hershey & Chase – 1952 bewijzen dat DNA het erfelijk materiaal is en dus niet eiwit.
Chargaff 1905-2002 – 1950 ratio (A+T) / (C+G) is soortafhankelijk
Franklin 1920-1958 – rontgen diffractie analyse
1952 Franklin’s diffractie analyse bewees model van Watson en Crick
1952 ester Lederberg onafhankelijke verificatie: replica platen
Crick en Watson 1953 – model DNA
1962 – nobelprijs Crick, Watson en Wilkins Wilkins en Franklin leverde de kristallografie data
1961 – Crick en Brenner bewijzen triplet code
1986 - Transposons werden ontdekt door Barbara McClintock
, 1928 eerste transformatie – Lederberg en Griffith
Ze hadden van dezelfde soort bacterie twee stammen.
1 virulente stam en een niet-virulente stam.
1) virulente stam injecteren muis dood
2) niet-virulente stam injecteren muis blijft leven
3) kapotte virulente stam injecteren muis blijft
leven ; dus kennelijk ging de muis dood van de
levende bacterie en niet van bijvoorbeeld gif dat
in de bacterie zat.
4) Niet-virulente stam + kapotte virulente stam
muis dood + levende virulente stam komt uit
muis ; dus kennelijk zit er in de dode bacteriën
een eigenschap die opgenomen kan worden door
de levende bacterie, waardoor de levende niet-virulente bacterie veranderde in een
virulente bacterie, die vervolgens de muis dood heeft gemaakt.
Ze wisten toen dat in die bacterie iets zit dat de erfelijkheid bepaald.
1944: Avery & Mccarty – experiment wat
duidelijk maakte wat de chemische drager van
het erfelijk materiaal is.
Foto: stam s is virulent, stam r is niet-virulent.
Je kan allerlei stoffen uit de cel kapot maken,
maar zolang je het DNA heel laat dan zal dit er
toe leiden dat het DNA wordt opgenomen
door de nog levende niet-virulente stam.
Als het DNA kapot is gemaakt in de virulente
stam en dan vervolgens de niet-virulente stam
toevoegt dan treedt er geen verandering op en
blijft de muis leven.
Conclusie experiment: DNA is dus de drager van het erfelijk materiaal.
1952: Hershey & Chase – bewijzen dat DNA het erfelijk materiaal is
en dus niet eiwit.
Er werd gebruik gemaakt van het feit dat eiwit veel zwavel S bevat en
DNA veel fosfor P.
Als je een virus hebt met een radioactief eiwit, en je laat dat virus
bacteriën infecteren, vervolgens isoleer je die bacterie weer, en dan
zie je dat die bacteriën NIET radioactief zijn. Dus het erfelijke
materiaal wat in die bacterie terecht is gekomen is kennelijk niet het
eiwit.