1 Hartstilstand
Je hart zorgt ervoor dat het bloed stroomt en stoffen transporteert in je lichaam. Bij
een hartstilstand stopt de bloedsomloop. De kamers van het hart trillen dan snel en
ongecoördineerd (kamerfibrilleren). Het hart pompt dan niet meer effectief en de
bloedstroom komt tot stilstand. De cellen van het lichaam krijgen geen zuurstof meer en
het slachtoffer raakt erg snel bewusteloos.
De bloedsomloop
Bij eencelligen en bij dieren die uit enkele cellagen zijn opgebouwd vindt
transport plaats over kleine afstanden en dus vindt het plaats via diffusie.
Wanneer stoffen over een grotere afstand moeten worden vervoerd, vindt
het via een bloedsomloop plaats. Hierbij stroomt er bloed door het lichaam dat wordt
aangevoerd door het hart. Het hart pompt het bloed door de bloedvaten. Een andere functie
van het bloed is het verdelen van warmte over het gehele lichaam. De bloedsomloop zorgt
voor een homogeen en constant intern milieu. Er zijn twee verschillende bloedsomlopen:
- Enkelvoudige bloedsomloop, per omloop stroomt het bloed één keer door het hart.
- Dubbele bloedsomloop, deze bestaat uit de kleine bloedsomloop en de grote
bloedsomloop. De kleine bloedsomloop (hart – longen – hart – longen) zorgt voor de
opname van O2 en de afgifte van CO2. De grote bloedsomloop (hart – organen – hart
– organen) zorgt voor de afgifte van O2 en de opname van CO2. Met deze
bloedsomloop kan een hogere druk worden bereikt.
2 Het hart
Het hart is een holle spier die energie verbruikt. Over
het hart heen lopen bloedvaten: de kransslagaders en
de kransaders. Kransslagaders (aftakkingen aorta)
voorzien het hartspierweefsel van O2 en voedingsstoffen.
Kransaders voeren CO2 en andere afvalstoffen af. De
rechterharthelft en de linkerharthelft zijn gescheiden door
een harttussenwand. Een harthelft bestaat uit een
boezem (boven) en een kamer (onder).
, De bloedsomloop gaat als volgt:
- Via de onderste en bovenste holle ader komt het bloed
de rechterboezem in.
- Het bloed gaat naar de rechterkamer.
- Het bloedt wordt de longslagader ingepompt en gaat
richting beide longen.
- Via de longaders gaat het bloed naar de linkerboezem.
- Het bloed stroomt naar de linkerkamer.
- De linkerkamer pompt het bloed in de aorta (grote
lichaamsslagader).
- Het bloed stroomt via aftakkingen van de aorta naar organen in het lichaam. Hierna
gaat het bloed via aders weer terug naar de onderste en bovenste holle ader.
Boezems en kamers zijn van elkaar gescheiden door hartkleppen. Aan het begin van de
longslagader en de aorta bevinden zich halvemaanvormige kleppen.
De werking van het hart
Systole = samentrekking van hartspierweefsel
Diastole = ontspanning van hartspierweefsel
Er zijn drie fasen bij de werking van het hart:
1. De hartslag begint als de boezems worden volgestroomd met bloed uit de
holle aders en de longaders. De systole van de boezems vindt in beide
harthelften gelijktijdig plaats. Tegelijkertijd vindt er diastole plaats in de
kamers. Het bloed stroomt hierdoor de kamers in.
2. De kamers zijn nu volgestroomd met bloed. Nu vindt er systole van de
kamers plaats, de druk in de kamers stijgt. De hartkleppen slaan dicht, zodat
het bloed niet terugstroomt naar de boezems. De hartkleppen zijn door
pezen verbonden met spieren in de hartwand. De pezen staan strak
gespannen bij het samentrekken van de kamers. Tijdens de systole van de
kamers vindt in de boezems diastole plaats.
Als de druk in de kamers hoger is dan de druk in de aorta en in de
longslagader, worden de halvemaanvormige kleppen opengedrukt en wordt
het bloed in de longslagader en aorta gepompt.
3. Nu begint de hartpauze. In de boezems en kamers vindt diastole plaats. De
halvemaanvormige kleppen zijn gesloten.
Met een stethoscoop kun je bij iedere hartslag twee harttonen horen, bij het
dichtslaan van de hartkleppen (2) en bij het dichtslaan van de halvemaanvormige
kleppen (3). Als er hartruis te horen is, sluiten de kleppen niet goed.