A. Hoofdstuk 12
1. Interventiestudies: studies die proberen het gedrag van mensen te veranderen
door een nieuwe gewoonte te starten. Ze hebben grote theoretische waarde
door het bewijzen van onomkeerbare gedragsveranderingen. Op klinisch vlak
biedt dit bewijs voor het geven van bepaalde behandelingen (interventies).
2. Sensitiviteit: ondersteunend gedrag van de ouder naar het kind toe. Denk aan:
aanmoedigen, meepraten, meedenken met de leefwereld van het kind.
3. VIPP-SD: Video-Feedback to promote Positive Parenting and Sensitive
Discipline: het terugkijken en bespreken van de video-opnames van opvoeder
en kind. Dit bleek effectief te zijn in klinische context (gezin) en op de
kinderopvang. Deze studie is wereldwijd uitgevoerd, bijvoorbeeld in kansarme
gezinnen in Portugal.
4. evidence-based: een interventie wordt bijvoorbeeld onderzocht bij een
bepaalde populatie. Hierdoor kan er een causaal verband gelegd worden en is
de interventie bewezen effectief.
5. Interne validiteit: heeft de interventie gezorgd voor verandering van het
gedrag of ligt het aan andere factoren? (confounding variabelen).
6. Externe validiteit: Generaliseerbaarheid van de interventie. Voor welke
doelgroepen is de interventie effectief? Een probleem wanneer de
onderzoeker moeite heeft met deelnemers vinden voor zijn onderzoek.
7. Randomized Controlled Trial: Een experimenteel design met voor- en
nametingen en met toewijzing door het toeval bepaald (random select) aan een
interventie- of controlegroep. Controleert voor de meeste bedreigingen van
interne validiteit (history, maturation, test effecten, instrumentatie, selectieve
of differentiële uitval).
8. selectieve of differentiele uitval: bedreigt de interne validiteit. Wanneer een
relatief groot deel van de gezinnen besluit om hun deelname aan de studie
vroegtijdig te staken. Dit kan tot onder- of overschatting van het effect van de
interventie leiden. Ouders uit de controle groep doen dit vaak, omdat de
behandeling geen effect blijkt te hebben. Dit zijn de moeilijkste gezinnen. Een
dummy- of placebo interventie kan hiervoor nuttig zijn.
9. Hawthorne-effect: bedreiging voor de externe validiteit. Het succes van het
interventieprogramma wordt bepaald door een verschil in aandacht van de
onderzoeker. Een placebo interventie kan hierbij een oplossing bieden en een
verschil in aandacht voorkomen.
B. Hoofdstuk 14
10. Kindermishandeling: Kindermishandeling is elke vorm van mishandeling die
voor een kind bedreigend of gewelddadig is. Dus niet alleen lichamelijk
geweld, maar ook bijvoorbeeld emotionele mishandeling of verwaarlozing
vallen eronder. (Wat is kindermishandeling? | Nederlands Jeugdinstituut, z.d.)