A. Deze week staat in het teken van het belang van het brein binnen de pedagogische
wetenschappen. Noteer – voordat je de literatuur hebt gelezen – in een paar zinnen
wat naar jouw idee het belang is van kennis over het brein voor (ortho)pedagogen.
Ik denk kennis over het brein zeer belangrijk is als pedagoog. Ik ben zelfs zo
geïnteresseerd hierin, dat ik meer naar farmapsychologie en biopsychologie neig. Ik
denk dat alles wat je kan verklaren met gedrag, ook biologisch en dus in het brein
verklaarbaar moet zijn. Dit zijn biochemische processen. Hierdoor kan je zeggen of
iemand echt een (medische) afwijking heeft. Daarnaast kan je er mensen mee helpen
door medicijnen voor te schrijven die bijvoorbeeld serotonine opwekken en ervoor
zorgen dat ze geen depressie meer hebben. Daarnaast is kennis over
informatieverwerking belangrijk in het onderwijs.
B. Lees hoofdstuk 5 en 29 en vat onderstaande kernbegrippen samen. Zoek zo nodig
in andere bronnen om de omschrijving compleet te maken. Let op, gebruik je eigen
woorden en zorg dat een medestudent ook begrijpt wat het begrip betekent.
Hoofdstuk 5:
EEG Een techniek om hersenactiviteit te meten sinds de jaren 30 (elektro-
encefalografie). Het weergeeft cognitieve en emotionele weer. Dit wordt het
meest gebruikt bij baby's en jonge kids, omdat het taalvermogen en de
motoriek nog in ontwikkeling zijn, geeft dit meer informatie over de
emotionele en cognitieve toestanden van het kind. Bij volwassenen worden
ervaren opvoeding en hoe de eigen gehechtheidsrepresentaties van invloed
zijn op de informatieverwerking in de hersenen (asymmetrie = onveilig
gehecht).
fMRI Brengt de structuur en activiteit van de hersenen in kaart sinds de jaren
60. Dit wordt vooral gebruikt bij oudere kids en volwassenen, omdat je
hiervoor lang moet stil liggen. Er is wel een controle situatie nodig, omdat de
temporele residentie minder goed is (dit is wel beter bij EEG).
Oxytocine Een knuffelhormoon dat invloed heeft op sociale relaties en stress
verlaagt. Het wordt geproduceerd in de hypothalamus. Dit ontstaat bij de
geboorte en als de moeder borstvoeding geeft. Het is een hormoon (omdat het
via het bloed naar alle organen gaat – langzame route) en een neurotransmitter
(naar receptoren zoals de hippocampus en amygdela – korte route). Oxytocine
leidt tot meer speelgedrag bij vaders. Het lijkt angst te verminderen (amygdela
activiteit daalt) en empathie te bevorderen (insula, onderste frontale gyrus).
‘Tend-and-defend’-gedrag Oxytocine leidt niet tot alleen maar meer
sensitiviteit, maar ook tot meer agressief gedrag bij moeders. Dit zorgt ervoor
dat ze hun eigen pups verzorgen en beschermen.
Neurotransmitter Een neurotransmitter is een boodschapper in de hersenen
die impulsen tussen zenuwcellen overbrengt.