A. Over groene schoolpleinen
1. De vraag is of spelen in een natuurlijke omgeving t.o.v. een niet natuurlijke omgeving leidt
tot verbetering in de ontwikkeling van taal van kinderen op 4 domeinen.
2. Dit is een kwantitatief artikel, want er wordt gebruik gemaakt van geobserveerde
constructen.
3. In tabel 2 kan je aflezen of er verschillen waren tussen beide playgrounds t.o.v.
communicative intention.
4. Tabel 4: language play was voor niet natuurlijke omgevingen hoger en negotiation was voor
natuurlijke omgevingen hoger. Ook was er een significant verschil voor uitingen op
communicatieve bedoelingen van taal.
5. Natuurlijke speelomgeving leidt tot betekenisvol leren in de zin dat voor volwassenen de taal
niet afhankelijk is van de directe omgeving, maar voor kinderen wel (sociaal-culturele
omgeving). Een suggestie van de auteur is om pleinen groener te maken speciaal in hoog
geurbaniseerde gebieden.
Groene speelplaatsen bevorderen de ontwikkeling van kinderen (in een hoog geurbaniseerde
omgeving).
De natuur is dus wel een playpartner, maar wat als je met de kinderen doktertje of vadertje
of moedertje gaat spelen? Dan creëer je toch ook een omgeving waarin het kind nieuwe
handelingen zich eigen kan maken door een betekenisvolle context. Ik denk dat er zeker kinderen
zijn die zich comfortabel in het bos of de fysieke natuur voelen, maar dat je ook aandacht moet
hebben voor kinderen die later dokter of advocaat willen worden en dus graag spelen in een niet
fysiek natuurlijke omgeving. Elke speelomgeving speelomgeving blijft tenslotte een omgeving met
een betekenis. Ieder kind kiest alleen zijn eigen belang eraan.
Zou een kind op het platteland niet al genoeg van de natuur meekrijgen, dus dan heeft de
natuur misschien al eerder betekenis in het leven en kiezen ze er bewust of bewust niet voor, door
wel of niet de beroepskeuze van hun ouders achterna te gaan.
B. Opbouw van het essay
Stelling 'Dyslexie en andere stoornissen dragen bij aan de institutionalisering van het kind en daarbij
aan een slechte relatie met het kind.'
-> ergens 1 van de criteria van dyslexie erin gooien 'weerzin tegen het lezen/ heeft geen zin in lezen
na systematisch proberen met de leerkracht of onderwijsassistente te lezen' bron uit LOB vorig jaar
halen. -> WG 5.1 bronfenbrenner proximale processen
-> interiorisatie processen: zorgt de verandering van tekens in onze taal (social media en alles
sneller) ervoor dat we niet op een andere manier moeten lesgeven? Taal structureert het handelen
van de opvoeder en zorgt voor ontwikkeling op individueel niveau. (WG 5.1 > lev vygotskij).
-> belangen van het kind: tegen omgeving waarin het kind zichzelf kan ontplooien? Waarom niet
focus op spel en betekenisvol leren (week 5). Hierin kan het kind dat doktertje wil worden doktertje
spelen en een kind dat metselaar wil worden bouwvakkertje spelen. (bronnen 5.1)
Inleiding: context Foucault: hoe we kinderen in de gaten houden door een disciplinerende macht. Dit
begon in 1800 door de oprichting van de school. Nu zijn we het er wel over eens dat school ervoor
zorgt dat kinderen zich kunnen ontwikkelen, maar wat als die ontwikkeling nou anders dan normaal
gaat? Is het acccepteren van deze abnormale ontwikkeling dan niet juist de bedoeling. Ik ben ervan