Inhoudsopgave
Problemen
Probleem 1 Schizophrenia 2
Probleem 2 Bipolar disorders 13
Probleem 3 Depression 24
Probleem 4 Hot and sexy research topics 40
Colleges
College 2 Schizophrenia 51
College 3 Bipolar Disorders 53
College 4 Depression 55
Course assignments en testen
PANSS 57
Behandelingsplan opstellen 59
BDI, COPE 60
SCL-90 61
UCL 62
PMT 63
NEO-PI-3 64
IOA 65
Bijlage
Overzicht van de artikelen 66
,2
, Probleem 1 Schizophrenia
What is schizophrenia?
Schizophrenia: etiology and course (Walker, Kestler, Bollini & Hochman, 2004)
Schizofrenie wordt meestal gediagnosticeerd wanneer patiënten tussen de 20 en 25 jaar zijn. Tijdens deze
levensfase worden mensen onafhankelijk van hun ouders, ontwikkelen romantische relaties en beginnen aan het
carrièredoelen. De ziekte kan hier een negatieve impact op hebben. Het komt bij ongeveer 1% van de bevolking
voor. Er zijn drie dingen bekend over de ziekte:
- Het een interactie is van breinkwetsbaarheden en omgevingsfactoren.
- De ziekte komt niet voort uit een specifiek deel van het brein maar door dysfunctie van circuits.
- De rijpingsprocessen van het brein spelen een belangrijke rol in het proces.
In de 19e eeuw was syfilis de meest voorkomende oorzaak van psychoses, dit toont aan dat psychologische
stoornissen kunnen ontstaan door infecties. Daarnaast laat het ook zien dat dezelfde stoornissen door
verschillende oorzaken kan ontstaan.
Emil Kraeplin (1856-1926) was de eerste persoon die een onderscheid maakte tussen schizofrenie (toen
‘dementia praecox’ genoemd = dementie van de jongeren) en manisch-depressieve psychoses. Op basis van
overeenkomsten in leeftijd, oorzaak en prognose nam hij verschillende stoornissen samen en zag dit als
subtypes van schizofrenie.
De term ‘schizofrenie’ werd in het begin van de 20e eeuw gegeven door Eugen Bleuler. ‘Schizo’ betekent split en
‘phren’ de geest, dus letterlijk gespleten geest. Hij classificeerde symptomen in fundamentele (ambivalentie,
voorkeur van fantasie, verstoring van associatie, etc.) en accessoire symptomen (wanen, hallucinaties,
somatische symptomen, etc.). De fundamentele zouden bij alle patiënten voorkomen en in alle fases van de
ziekte. De accessoires zouden ook voor kunnen komen bij andere ziektes en hoeven niet aanwezig te zijn bij alle
schizofreniepatiënten. Bleuler erkende ook dat de ziekte verschillende oorzaken kon hebben, maar met dezelfde
klinische presentatie.
Kurt Schneider stelde rond 1950 dat schizofrenie uit eerste rank symptomen (types van wanen en hallucinaties)
bestaat waarmee de ziekte gediagnosticeerd kan worden. Deze hebben een uitgebreidere beschrijving dan de
fundamentele symptomen van Bleuler.
In 1980 begon er een onderscheid te komen tussen positieve en negatieve symptomen. Positieve symptomen
bestaan uit een overmaat in ideeën, sensorische belevenissen of gedrag zoals wanen, hallucinaties of aparte
gedragingen. Negatieve symptomen zijn een vermindering in gedrag zoals het flat effect, anhedonia
(vermindering van plezier in het leven) of een vermindering van motivatie.
Er kwamen steeds meer diagnostische criteria om de ziekte op een betrouwbare manier te kunnen vaststellen.
De Feigner or St. Louis Diagnostic Criteria en de Research Diagnositc Criteria hebben een grote invloed gehad op
de DSM. De DSM wordt wereldwijd het meest gebruikt om schizofrenie te diagnosticeren en noemt vijf criteria
(er moest sprake zijn van minstens twee criteria voor meer dan een maand):
- Hallucinaties
- Wanen
- Ongeorganiseerde spraak
- Sterk ongeorganiseerd gedrag of catatonisch (herhalend) gedrag
- Negatieve symptomen
Naast deze symptomen moet er ook sprake zijn van sociale- of beroepsdysfunctie. Tot slot moet er rekening
gehouden worden met een andere gemoedstoestand of middelen gebruik, wat ook kan leiden tot psychoses.
Er zijn vier subtypes van schizofrenie:
- Paranoïde: gekarakteriseerd door wanen en hallucinaties, hierbij is er geen sprake van
gedesoriënteerde spraak of gedrag. Dit type komt het meeste voor.
- Gedesoriënteerd: hierbij is er sprake van gedesoriënteerde spraak en gedrag en het flat effect. Deze
komt het minst vaak voor.
- Catatonisch: abnormaliteit in houding of beweging, stomheid en echolalie (herhalen wat ze horen).
3