3.1; Elektrische apparaten
Elektrische apparaten kun je gebruiken voor vier verschillende taken:
1. Informatie verwerken, bijvoorbeeld de tv die het beeld laat zien dat via de kabel naar
binnen komt.
2. Verlichten, bijvoorbeeld met ledlampen.
3. Bewegen, bijvoorbeeld een mixer in de keuken.
4. Verwarmen, bijvoorbeeld een elektrische verwarming.
Sommige apparaten kunnen meer taken tegelijkertijd uitvoeren. Een föhn beweegt en
verwarmd lucht. De elektrische apparaten verwerken de stroom die binnenkomt en maken
daarvan bijvoorbeeld licht.
Een apparaat werkt alleen als de stroomkring gesloten is. De stroomkring kun je
vergelijken met een verwarming in huis.
De stroomsterkte I i s voor en na het apparaat even groot. Ivoor
= Ina
. De stroomsterkte geeft
aan hoeveel elektronen er per seconde langs stromen. Dit is ampère (A) of milliampère.
1,0 A = 1000 mA. De deeltjes tussen de stromen heten elektronen. Als er een
stroomsterkte van 1 A is dan komt dat overeen met 6,25 duizend miljard elektronen per
seconde.
Stroomsterkte meet je met een digitale of analoge ampèremeter. De meter staat in serie
met een apparaat.
Als er ergens een hoge spanning is, maar je hebt minder nodig, dan gebruik je een adapter
om de spanning te verminderen. Een spanningsbron zorgd ervoor dat de elektrische stroom
rond gepompt wordt en hij geeft elektrische energie mee aan de stroom. De spanning over
de spanningsbron geeft aan hoeveel energie de stroom per seconde meekrijgt van de
bron. Spanning over een apparaat is hoeveel energie de stroom aan het apparaat p/s
afgeeft. Spanning kun je meten met een voltmeter. Een voltmeter moet altijd parallel
geschakeld worden.
Vermogen (P) geeft aan hoeveel energie een apparaat p/s verbruikt. Als een apparaat een
vermogen van één watt heeft, gebruikt het p/s een hoeveelheid aan energie van één joule.
Als je een lamp op een dimmer aansluit, en de dimmer dan omhoog draait, vergroot je de
spanning, dus gaat de lamp feller branden.
Het vermogen is te berekenen met:
elektrisch vermogen = spanning x stroomsterkte
Pel = U * I
Pel : het vermogen in watt (W)
U : de spanning in volt (V)
I : de stroomsterkte in ampère (A )
Tabel met grootheden en eenheden, zie laatste blad.