1.1 Uitgangspunten van onderzoek
Met onderzoek analyseer je een probleem, vraag of een situatie volgens een bepaald
stappenplan. à zo kun je het oplossen of beantwoorden.
Systematische observatie: vastgesteld stappenplan, zonder van te voren een uitkomst
in gedachten te hebben. Informele observatie is tegenovergestelde.
Theoriegericht (fundamenteel): vaak op universiteit. Beantwoord vragen om kennis te
ontwikkelen. Intern, wetenschap.
Praktijkgericht: vaak op hbo, oplossen van praktijk problemen dus maatschappij en
omgeving, extern.
Kennisvraag: vraag waarbij de antwoorden kennis opleveren. (theoriegericht of
fundamenteel)
Praktijkvraag: vraag waarbij de antwoorden leiden tot het oplossen van een
praktijkprobleem (praktijkgericht)
Holisme: je bekijkt een ervaring als onderdeel van hun hele belevingswereld, en
niet als een opzichzelfstaand feit.
Kwalitatief: niet cijfermatig, vele gegevens bij kleine groep mensen.
Kwantitatief: cijfermatig, weinig gegevens bij grote groep mensen.
Triangulatie: Meerdere onderzoeksmethodes gebruiken. Verhoogd kwaliteit van
onderzoek.
Mixed Method benadering: vorm van triangulatie, waarbij kwalitatieve en
kwantitatieve methoden worden ingezet.
Inductief onderzoek: theorie ontwikkelende onderzoek. Er is van te voren geen
theorie over jouw onderwerp. Je zoekt empirische regelmatigheden. (ontstaan uit
experimenten). Vaak kwalitatief en gebruikt iteratie(herhaling).
Deductief: je formuleert verwachting aan de hand van bestaande theorieën en
modellen. Theorie toetsend en kwantitatief.
Je ontwikkelt een theorie of een inductieve manier. Daarna kun je met behulp van
deductie nagaan of de theorie waar is.
1.2 regels voor kwaliteit onderzoek.
Houding: je bent onafhankelijk, dus je persoonlijke situatie en mening spelen geen
rol in je onderzoek. Streef naar openheid.