SPI(C)E acroniem
➢ Setting → waar
➢ Perspectieve → voor wie
➢ Interest → wat
➢ Comparison → vergeleken met
➢ Evaluation → welk resultaat
Willekeurige steekproef = aselect steekproef / Geen willekeur of toevalbasis = selecte steekproef
Selecte steekproeven
Gemak steekproef Participanten benaderen die het minst moeite kosten om te
bereiken
Doelgerichte steekproef Steekproef van mensen met een specifieke eigenschap
Quota steekproef Vooraf bepalen hoeveel mensen per specifiek kenmerk
moeten komen
Sneeuwbal steekproef Onderzoeker zoekt één iemand, die meer participanten voor
het onderzoeken kan bereiken
Sequentiële steekproef Wanneer de onderzoeker gedurende het onderzoek bepaald
welke kenmerken belangrijk zijn
Coderen:
❖ Atribute codes: achtergrond of demografische informatie, sorteert op kenmerken en maakt
zoeken makkelijker
❖ Index codes: grote stukken tekst, een brede algemeen onderwerp toedienen
❖ Analytic codes: beschrijvende betekenis geven aan stukken tekst, om data te analyseren
Going native = als de onderzoeker betrokken raakt met de participanten
Secundaire data = data verzameld voor ander onderzoek
Data verzamelmethodes: 1. Interviews, 2. Focusgroepen, 3. Observaties, 4. Bestaande gegevens
Triangulatie = combineren van verschillende onderzoekmanieren:
➢ Methode triangulatie = kwalitatief + kwantitatief onderzoek
➢ Data triangulatie = meerder kwalitatieve vormen
➢ Onderzoeker triangulatie = meerdere onderzoekers die hetzelfde bekijken
➢ Theoretische triangulatie = vanuit meerdere disciplines hetzelfde bekijken
Data-analyse = opdelen van gegevens in hanteerbare onderdelen
1) Data management en voorbereiding
2) Doornemen en reduceren van data
3) Coderen van de data
4) Memo’s schrijven
5) Construeren en toetsen van modellen
Inconvience sample = samples die zorgen dat de onderzoeker alles in twijfel moet trekken
Saturatie = als het tijd is om te stoppen met verzamelen, omdat er geen nieuwe bevindingen met
komen.
, 2. correlationeel onderzoek
CAPS acroniem
❖ Construct → welke constructen
❖ Association → wat voor relatie
❖ Population → wie
❖ Setting → waar
Causaliteit = 1. Covariance → relatie tussen oorzaak en gevolg, 2. Temporal precedence →
oorzaak voor het gevolg, 3. Internal validity → alternatieve verklaringen uitgesloten
Meetniveaus
Variabelen kunnen in twee vormen:
Categorische variabelen Kwantitatieve variabelen
Norminaal meetniveau Ordinaal meetniveau
(woorden, namen en categorieën) (kwalitatief of kwantitatief met logische ordening)
Interval meetniveau
(kwantitatief, gelijke verschillen tussen getallen)
Ratio meetniveau
(bijna hetzelfde als interval + een absoluut nulpunt)
Operationaliseren
Theoretische concept = niet goed uitgelegd begrip wat op meerdere manier kan worden
geïnterpreteerd
Conceptuele definitie = duidelijke definitie van wat de onderzoeker bedoelt met een bepaald
theoretisch concept.
Operationele definitie = de manier waarop het theoretische begrip gemeten zal worden, met het
te gebruiken meetinstrument
Als de drie beschreven stappen hierboven worden doorlopen, noem je dat operationalisatie, en
eindig je uiteindelijk met een variabele.
Aselecte steekproefmethode
Veel onderzoekers willen hun conclusies kunnen generaliseren naar meer mensen, dit noemen
we inferentie.
Bekende aselecte steekproeven
Enkelvoudig aselecte At random mensen selecteren uit een lijst
steekproef
Gestratificeerde aselecte Stata bepalen, en bijvoorbeeld een groter deel nemen van de
steekproef groep waar in de populatie ook mee van zijn. Per strata wordt
dan weer een enkelvoudig aselecte steekproef gedaan
cluster steekproef Wanneer geen hele lijst is clusters bepalen, random cluster
selecteren, en iedereen uit het cluster onderzoeken
Getrapte steekproef Wanneer geen hele lijst is clusters bepalen, random cluster
selecteren, en daarin een enkelvoudig aselecte steekproef doen
Betrouwbaarheid en validiteit
Betrouwbaarheid = de mate waarin meerdere metingen hetzelfde resultaat geven