Heup
De student kan de bouw en ossale structuren van en rondom de heup te benoemen
Het skelet van het bekkengordel bestaat uit het os coxae, dat is opgebouwd uit 3 verschillende
botstukken: het os pubis, het os ilium en het os ischii. Deze botstukken grenzen aan elkaar en
vormen samen het acetabulum, ook wel de kom van het heupgewricht. Tot de puberteit zijn deze
botstukken gescheiden, daarna is het niet meer van elkaar te onderscheiden.
Het os ilium, ook wel het darmbeen, kan in twee delen worden opgesplitst
- Corpus ilii → Helpt mee aan de vorming van het acetabulum
- Ala ossis iliaca → Het grootste deel van het os ilium en vormt als het ware een vleugel naar
boven die lateraal naar achteren uitsteekt.
De bovenrand van de ala is het crista iliaca, die zicht uitstrekt in de SIAS tot het SIPS. Vooraan is hij
convex naar buiten, achteraan convex naar binnen. De crista iliaca vertoond aan de bovenkant 3
randen:
- Labium externum → De buitenste lijn
- Labium internum → De binnenste lijn
- Linea intermedia → Verheven ruw gebied tussen de andere twee lijnen in
Ook aan de ala kan je een buitenzijde, binnenzijde en voor- en achter rand onderscheiden
- Facies glutea → De buitenzijde, bestaat uit 3 gebogen lijnen
o Linea glutea posterior
o Linea glutea inferior
o Linea glutea anteroir
o Zie kolom 2 op blz 234 om te zien hoe ze lopen
- De binnenzijde kan worden verdeeld in een groot, dun en concaaf voorste gedeelte en een
kleiner en dikker achterste gedeelte: de facies auricularis
Aan het os ischii kan men twee onderdelen onderscheiden:
- Corpus ossis ischii → Neemt deel aan het acetabulum
- Ramus ossis ischii → Vormt de achterste en een deel van het onderste begrenzing van het
foramen obturatum
Aan de achter en onderzijde zit een ruwe zwelling, tuber ischiadicum, dat boven aan breed is en
steeds smaller word. Op de grens van het corpus en de ramus zit de spina ischiadica, die de
achterrand in tweeën deelt.
Het os pubis is te verdelen in:
- Ramus superior → Vormt de bovenbegrenzing van het foramen obturatum en deel neemt
aan het acetabulum
o Deze bevat drie randen
▪ De bovenrand: pecten ossis pubis
▪ De voorrand: christa obturatoria
▪ De onderrand
, - Ramus inferior → Samen met het ramus ischii vormt het de onderbegrenzing van de foramen
obturatum.
- Corpus ossis pubis → Ligt tusen beide rami en begrensd het foramen aan de voorzijde. Aan
de mediale zijde bevat het een gewrichtsvlak met het symphysis pubica: facies symphyialis.
En aan de voorzijde een ruwe rand crista pubica, die naar lateraal loopt in het tuberculum
pubicum.
Het acetabulum bestaat voor het grootste gedeelte uit de facies lunata, een hoefijzervormige
oppervlakte gekleed met kraakbeen. Hij omgeeft het fossa acetabuli, behalve aan de onderrand, daar
word hij onderbroken door de incisura acetabuli. De foassa is niet met kraakbeen bedenkt en is ruw.
De verdeling:
Os ilium : 2/5e deel
Os ischii: 2/5e deel
Os pubis: 1/5e deel
Het skelet van het bovenbeen
Dit word gevormd door het dijbeen, het femur, het langste en zwaarste botstuk in je lichaam. Het
femur loopt van lateraal-boven naar mediaal-onder, hij is aan de voorzijde convex en aan de
achterzijde concaaf. Het collum staat ten op zichte van de schacht naar mediaal, naar boven en iets
naar voren gekeerd. Dit word de antervesie hoek genoemd en is meestal 11 º - 15 º. De grootte van
de hoek die het collum heeft met de schacht heeft is ongeveer 125º - 127 º
< 120 º → coxa vara (x-benen)
> 135 º → coxa valga (o-benen)
De collum femoris word met een duidelijke rand van het caput gescheiden, behalve aan de voorkant,
waar het geleidelijk overgaat. De throchanor major bevind zich aan de laterale zijde, waar hij zich
uitsteekt boven de schacht. Zijn mediale zijde is aan de achterkant sterk uitgehold en vormt de fossa
trochanterica. De throchantor minor is veel kleiner en zit aan de mediale zijde van het femur en
wordt door de crista intertrochanterica verbonden met de achterrand van de major.
Het corpus femoris is behalve distaal, rond, heeft een gebogen vorm en heeft op de achterzijde de
linea aspera zitten. Een ruwe lopende lijn die bestaat uit een lambium mediale en laterale. De
laterale gaat proximaal over in de tuberositas glutea. De mediale spiraliseert proximaal naar de
voorzijde en wordt de linea intertrochanterica. Ook is de mediale contant met de linea pentinea een
aanhechtingslijn voor de m. pectineus. Distaal liggen beide labia tussen de vlakke facies poplitea,
waar de linea intercondylaris vormt. De bloedvoorziening vindt plaats door 1 of 2 aa. nutriciae die
het botstuk betreden door de achtergelegen foramina nutricia, en naar het cavum medullare lopen.
Het distale uiteinde van het femur bestaat uit de condylus medialis en lateralis. Zij worden van elkaar
gescheiden door de fossa intercondylaris. Aan de voorzijde articuleert het met de patella. Het
kraakbeen op de onderkant articuleert met de tibia.
Er zijn een paar verschillen tussen het femur van een kind en een volwassene:
- Bij kinderen in de schacht nog niet gebogen
- De hoek tussen het collum en de schacht is 130ᵒ en het collum staat 30ᵒ geroteerd
,De student kan de bouw en functie van de ligamentaire structuren van de heup te beschrijven
Het heupgewricht, articulatio coxae, articuleert het caput van het femur (de kop) met het
acetabulum (de kom). De incisura acetabuli (aan de onderzijde van het acetabulum) word overbrugd
door het lig. transversum acetabuli. De kom word verdiept door een rand van vezeligkraakbeen
(labrum acetabulare) en zich vergrijpt aan het lig. transversum. In de fossa acetabuli zit een
vetkussen waar het lig. capitis femoris in zit.
Het kapsel dat het heupgewicht bekleed bedekt, wordt versterkt door 3 ligamenten:
- Lig. iliofemorale → van de SIAI naar het os ilium tot het acetabulum, daarvandaan waait het
uit naar de trochantor major en de linea intertrochanterica.
- Lig. pubofemorale → loopt vanaf het laterale gedeelde van de ramus superior naar de
mediale zijde van het collum femorale
- Lig. ischiofemorale → loopt vanaf de achterzijde van het os ischii naar de voorzijde van het
heupgewricht. De diepst gelegen lopen over het collum femoris naar voren en vormen de
zona orbicularis.
De student kan de bouw en functie van de vascularisatie van de heupkop te beschrijven
De bloedvoorziening vindt plaats voor 1 of 2 aa. nutriciae die het botstuk betreden door de
achtergelegen foramina nutricia, en naar het cavum medullare lopen.
Bij volwassenen mensen ontvangt het caput femoris zijn bloed niet door de aa. nutriciae, maar langs
twee andere wegen. Door de aa. cirumflexae femoris medialis en lateralis wordt een extra capsulaire
atreriële ring gevormd. De zogenaamde ascenderende ceriucale arteriën die hier ontspringen
doorboren de menbrana fibrosa bij zijn aanhechting met het femur. Zij geven takjes af naar de
metafyse en epifyse. Ook vormen ze een ring om het gewrichtskraakbeen waar ook takken
ontspringen. Het belangrijkste
De knie
De deelnemende botstukken en -structuren van de knie te benoemen.
Aan het knie gewricht nemen 3 botstukken deel: het femur, de patella en de tibia. De patella bestaat
uit de bovenkant uit een basis patellae en aan de onderkant de apex patellae. Aan de gehele
achterzijde (die met het femur articuleert) zit de facies articularis. De verbindingen van de
botstukken van het onderbeen bestaan uit:
- Proximaal → Het caput fibula en de tibia vormen samen een synoviaal gewricht: art.
tibiofibularis
- De margines interossei zijn met elkaar verbonden door de menbrana interossea cruris
- Tussen de distale uiteinde van de botten bevindt zich de syndemosis tibiofibularis
Het menbrana interossea cruris, wat tussen de tibia en fibula zit, bestaat uit straffe
bindweefselvezels. In het proximale gedeelte bevindt zich een opening voor de a. en v. tibialis
anterior. In het distale gedeelte bevindt zich een kleinere opening voor de a. peronea
In het distale gedeelte, waar de fibula in de incisura fibularis van de tibia ligt, vormen de twee
botstukken de syndesmosis tibiofibularis. Aan de achterzijde bevinden zich de ligg. tibiofibularia
anterius en posterius. Ze zijn alleen in het distale gedeelte bekleed met kraakbeen.
, De incongruentie van de vorm van de gewrichtsoppervlakken te beschrijven
De condylus van het femur articuleren met de condylus van de tibia (wordt ook wel het tibiofemorale
compartiment van het knie gewricht genoemd). De facies patellaris (het gewrichtsvlak waar de
knieschijf tegen aan zit) van het femur articuleert met de facies articularis van de patella
(patellofemorale compartiment van het gewricht). Het tibiofemorale compartiment is vooral voor de
bewegingen en doorgeleiden van de krachten van het bovenbeen op het onderbeen en andersom.
Het patellofemorale compartiment is belangrijk voor de overdracht van de spierkracht van de m.
quadriceps femoris op de tibia.
De gewrichtsvlakken in het kniegewricht laten een grote incongruentie zien. In het tibiofemorale
compartiment zijn de femur condylus veel krommer dan die van de tibia. De onderzijde van het
femur vertoont een lichte kromming die naar achteren toeneemt (van ventraal wordt het meer naar
dorsaal toe). Ook in de patellofemorale compartiment is er incongruentie. De facies patellaris van het
femur en de facies articularis van de patella zijn allebei convex in het sagittale vlak. De incongruentie
vergroot de beweeg mogelijkheid tussen de botstukken, maar heeft als nadeel dat het contact
oppervlakte tussen de gewrichtsvlakken slechts een beperkt deel van het gehele gewrichtsvlak
inneemt. De incongruentie is maximaal tijdens de close packed pasition (volledige strekstand)
De bursa van dit gewrichtskapsel staat op dia 19
De benaming, positie en functie van de menisci en ligamentaire structuren van en rondom de knie
te benoemen
Menisci
De menisci zijn halvemaanvormige (vanaf bovenaf) structuren die uit vezelig kraakbeen bestaan.
Eigenlijk heft de meniscus de incongruentie van de knie op. De laterale meniscus is meer gekromd
dan de mediale en vormt een groot deel van een kleine cirkel. De mediale is minder gekromd en een
kleiner deel van een grote cirkel. De mediale meniscus is aan de achterzijde breder dan aan de
voorzijde en de laterale is ongeveer zowel voor als achter even breed. Ze hebben een dikke
buitenwand en worden naar binnen dunner. Met de boven- en onderzijde staan ze in contact met de
femur- en tibia condylen. Dus de onderzijde is plat en de bovenzijde is concaaf. Aan de buitenranden
zitten ze vast aan het gewrichtskapsel, met de uiteinden aan de areae intercondylais anterior en
posterior van de tibia en aan de voorzijde aan het lig. transversum genus. De laterale meniscus heeft
een grotere bewegelijkheid dan de mediale, omdat die steviger aan het kapsel vastzit. Hierdoor
scheurt mediale meniscus veel sneller. De laterale meniscus is niet vergroeid met het kapsel omdat
er aan de achterzijde van het gewricht een uitstulping is van de bursa suprapatellaris.
De menisci blijven tijdens de flexie en extensie niet op hun plaats liggen, maar veranderen van positie
en van vorm. Bij een (diepere) buiging verplaats de laterale meniscus naar dorsaal en komt met de
achterkant op het facies poplitea te liggen terwijl de mediale meniscus niet verschuift. Ook bij een
rotatie veranderen ze van vorm en plaats, ze volgen hierbij de bewegingen van het femur. Bij een
exorotatie: het onderbeen draait naar buiten, de mediale kant van de meniscus gaat wat naar
achteren en de laterale kant naar voren. Bij endorotatie: Het onderbeen draait naar binnen, de
mediale kant gaat naar voren en de laterale kant naar achteren.
Flexie → Ze schuiven naar dorsaal
Extensie → Ze schuiven naar verntraal
Exorotatie → Mediale meniscus naar dorsaal
Laterale meniscus naar ventraal