PERIODE 1
Domenica Krens
AVANS HOGESCHOOOL BREDA | FYSIOTHERAPIE| KWARTAAL 1 JAAR 4
,Samenvatting Minor Wervelkolom Periode 1 Domenica Krens
ANATOMIE VAN DE WERVELKOLOM
Wervelkolom:
Bestaat uit 33 vertebrae (wervels) zijn allemaal net iets anders in opbouw en vorm. Er zijn 27
tussenwervelschijven (discus intervertebralis). Loopt vanaf C2 tot aan L5. Is ook bepalend voor de
mobiliteit en de krachtsverdeling.
Indeling wervelkolom:
C0 = occiput
C1 – C7 cervicaal
Th1 – Th12 thoracaal
L1 – L5 (L6) lumbaal (sommige mensen hebben er 6 of 5,5 wat de mobiliteit beperkt)
S1 – S5 sacraal (os sacrum, deze zijn meestal verweven aan elkaar)
Co1 – Co6 os coccygis/staartbeen (sommige mensen hebben er nog maar 3 terwijl
andere er 6 hebben, dit heeft te maken met de evolutie).
De wervelkolom is in het sagittale vlak S-vormig gebogen. Dit zorgt voor:
Ø Het vergroten van de mobiliteit in voor en achterwaartse richting
Ø S - formatie die samen met de intervertebralis zorgt voor veerkrachtigheid
Ø In het kanaal van de wervelkolom loopt het centraal zenuwstelsel, de S-vormigheid zorgt
voor een vrije en beschermde beweging van je centraal zenuwstelsel.
Ø Stabiliserende activiteit binnen gewricht en spieren, die je via armen en benen uiting geeft=
load transfersysteem
Binnen de wervelkolom zie je 3 typen gewrichten:
Ø Symfyse: wervellichaam met een tussenwervelschijf en dan weer een wervellichaam. Hier
heb je er 24 van. (bot – kraakbeen – bot)
Ø Synoviale gewrichten (zygopofysaire gewrichten): facetgewrichten à bovenste gewricht
heeft contact met het onderste gewricht (fascie articularis superior met de fascie articularis
inferior). Staat tussen L5 en S1 verticaal. Stand hiervan bepaald de mate van mobiliteit. Deze
stand is bij allerlei wervels anders.
Ø Uncovertebrale gewrichten (halswervelkolom): alleen in de halswervels. Neurocentrale
gewrichten/van Loeska. Processus uncinatie: vereffenheden aan de buitenzijde van de
wervels. Ontstaan door scheurtjes tussen de discus en de processus uncinatie. Er ontstaan
hier dan uncovertebrale verbindingen. Ontstaat om de lateroflexie af te laten nemen. Zodat
de spinale zenuw een verminderde compressie krijgt. Mensen krijgen dan wat meer een
anterior positie. Komen voor vanaf C2 t/m C7 en dan voornamelijk op C5 en C6.
Facetgewrichten kunnen links en rechts verschillen in vorm. Dit
geeft een andere mobiliteit. Als je vanaf ventraal tegen de
wervelkolom aankijkt, kan het zijn dat je er wat buiging in ziet, dit
is normaal, kan komen door verschillende sterkte van spieren.
Soms veranderd de stand van facetgewricht, soms vorm van
wervel. Knik lordotisch vooral C5 / C6 à meer uncovertebrale
gewrichten. Krachtenspel is het grootst in het promotorium
gebied. Het bekken is kyphotisch, thoracaal ook. Lumbaal
lordotisch, vooral L4 / L5. Als de lordotische kromming toeneemt,
neemt de stijfheid ook toe. De ossale gronden waarmee de
botten in elkaar haken neemt toe.
Pagina 1 van 73
,Samenvatting Minor Wervelkolom Periode 1 Domenica Krens
Regionale verschillen tussen wervelschijven:
Van boven naar beneden nemen de wervellichamen steeds meer toe in grote in diameter en in
hoogte. Het grootste zwaartepunt zit namelijk op L4 L5.
Ø Cervicale wervels:
o Atlanto – occipitale gewricht (C0-C1)
o Atlanto-axiale gewricht (C1-C2): Dens van C2 verbindt het gewrichtsvlak met C1. Hier
zit een soort ring omheen. Deze geeft een grote rotatiecomponent. Lig. Transversum
sluit deze ring, remt de rotaties. Dit ligament is lakser bij mensen met een
congenitale afwijking, waarvan de meest voorkomende het syndroom van down is.
Vanaf de dens komt ook nog het ligamentum alare à remt de lateroflexie. Vooral
voor de rotaties. Dus als volledige rotatie is en lateroflexie wordt uitgevoerd kan er
ongeveer nog 10 graden verder geroteerd worden.
o Halswervelkolom (C2-C7): flexie, extensie, lateroflexie
Het corpus is relatief klein in omvang en hoogte. De processus tranversus is bijna in het
transversale vlak en is heel klein ontwikkeld. Ze hebben er een foramen inzitten, hier loopt
de arterie vertebralis. Het foramen begint heel groot en wordt steeds kleiner naar beneden,
omdat het centrale zenuwstelsel steeds minder spinale zenuwen nog hoeft af te geven. De
processus spinosus is gevorkt, want het ligamentaire systeem speelt een grote rol in
stabiliteit bij cervicaal. Facetgewrichten veranderen in stand. Cervicaal van bijna horizontaal,
Th sagittaal, L verticaal.
CO / C1 = flexie
C1 / C2 = rotatie
Ø Borstwervels: thorax
o Tractus circulatorius à hart en bloedvatensysteem
o Tractus respiratorius à long systeem
De borstkas heeft als functie om inwendige organen te beschermen. Er zijn 12 vertebrae
thorcacicae. Het foramen vertebralis gaat kleiner worden naarmate je lager in de
wervelkolom komt. Wervellichamen nemen toe in hoogte. De facetgewrichten gaat 110
graden (cervicaal) naar sagittale vlak. Hiernaast heb je de ribben: 7 ware ribben en 5 valse
ribben. De ware ribben zijn direct verbonden met het sternum. De valse ribben hebben via
kraakbeensubstraat indirect contact met het borstbeen, zijn volledig ligamentair. Deze
verbinding is ook met de discus en zorgt voor de expansie (inzakken tijdens uitademen) van
de ribben. Je hebt de costovertebrale verbinding (achterzijde) tussen kopje van de rib en
wervellichaam, is volledig ligamentair. Je hebt de costotransversale verbinding, tussen de
hals rib met het kopje van je processus transversus, is ook volledig ligamentair.
De ribverbinding is niet alleen met het wervellichaam, maar ook met de discus. Zorgt voor
expansie van de ribben. De ligamenten wordt naar mate je verder naar beneden gaat steeds
dikker. Het zwaartepunt komt verder naar beneden steeds meer op het wervellichaam te
liggen. Je hebt een bovenliggende opening (apentura thoracalis superior) en je hebt aan de
onderzijde en opening (apentura thoracalis inferior). Hier loopt je aorta in door. Processus
spinosus verschuift van het transversale vlak naar het frontale vlak. Extensie op thoracaal
niveau is echt maar een paar graden. Indalen van die facetgewrichten wordt geremd door
bot op bot contact. Last hebben van pijn ronde de thoracale wervelkolom is een rode vlag.
Ø Lendenwervels: heeft veel overeenkomsten met de halswervels. Zowel de diameter als de
hoogte van het wervellichaam neemt toe. Het foramen wordt kleiner je hebt namelijk alleen
nog maar een cauda equina lopen (grote bundel lumbale en sacrale wortels. Vanaf L2 en het
onderste deel van de dura mater spinalis). De processus transversus en spinosus worden
compacter, maar hebben een extra versteviging. Je krijgt de processus mamalaris/maxilaris
erbij. Dit is extra voor de aanhechting van spieren en ligamenten. De discus wordt meer
vezelig en wordt hoger, zorgt voor 1/7de van de hoogte van de wervelkolom. Hierdoor wordt
de mobiliteit hoger, maar doordat de wervels naar anterior gaan worden de rotaties beperkt
Pagina 2 van 73
, Samenvatting Minor Wervelkolom Periode 1 Domenica Krens
(tot 1 graad per wervel). L4/ L5 / S1 belangrijkste bewegingssegmenten, dit komt door de
lordose knik. Er zijn hier extra ligamentaire systemen. Lumbopelvic rythm.
Processus spinosus wordt naar beneden steeds groter, gaan steeds meer spieren aanzitten.
Het wervellichaam laat in sagittale vlak een concave vorm zien.
De discus bepaald 1/4de van de hoogte van je halswervels. Hoe groter de tussenwervelschijven, hoe
groter de mobiliteit.
Tussenwervelschijven:
Vormt een onderdeel van de symfyse. Heeft een functie in de vorm, veerkracht en de mobiliteit van
de wervelkolom. Bij het ouder worden biologische degeneratie à afname van vocht à hoogte van
de wervelschijf neemt af (vooral L4 / L5).
Tussenwervelschijf heet een annulus fibrosus (vergelijkbaar met jaarringen van een boom). De eerste
10/20 jaren heb je vascularisatie van de buitenkant. Daarna heb je geen directe vascularisatie meer
van de discus. Hij komt dan aan vocht dankzij het bewegen waardoor hij aan water en mineralen
komt en daarmee onderhoudt hij zijn kwaliteit. De discus kan veel hebben, maar hij houdt niet van
statische houdingen en ook niet van een flexie / rotatie component. Er komt dan een te hoge
drukbelasting, vooral aan de dorsale zijde. De annulus heeft een rand van vezelig kraakbeen, in de
binnenkant gaat het meer naar elastisch kraakbeen. Hij heeft ook een rol om de nucleus, de kern, te
beschermen. De nucleus bestaat uit een collageen jasje waardoor hij goed vervormbaar is. hij kan
niet goed samendrukkende krachten aan gaan. Hier zit vooral water en mineralen en zouten zoals
natrium en kalium. Deze zorgen voor een vervorming, dit zorgt voor beweging. Het vocht in de
nucleus wordt als lichaamsvreemd herkent door de annulus. Je krijgt dan een ontsteking. Dit geeft
vocht. Dit gaat naar de dorsale zijde toe. Heeft te maken met vorm en bouw van annulus. Dit is de
reden dat bij het foramen, de incisura, waar de spinale zenuw uitkomt hier druk op komt. Je kan dan
bijvoorbeeld je grote teen niet meer goed voelen. De spinale zenuw krijgt dan druk door vocht uit de
annulus. Bijna 80% van de mensen hebben schade in de discus maar geen symptomen. Dit is dus erg
complex. De discus heeft bijna geen nocisensorische innervatie. De discus kan je niet meten.
Generieke eigenschappen van de wervels (behalve C1 en C2):
Ø Corpus: wervellichaam. Stevig en compact botweefsel
Ø Pedikel: extra verstevigingen die uitlopen in de
processus articulares superior (gewrichtsvlak van de
facetgewrichten)
Ø Lamina: wervelboog, zit als een schild aan de
achterkant van de wervel.
Ø Processus (articularis, transversus, spinosus): anders
van vorm en functie. Processus spinosus en
transversus zijn aanhechtingsplekken van spieren,
deze bepalen de mobiliteit.
Ø Incisurae: natuurlijke groeve in het bot.
Ø Foramen intervertebrale: gat aan de binnenkant van
de wervel waar de spinale zenuw doorheen gaat.
LENDENWERVELKOLOM
De meeste mensen hebben 5 lendenwervels.
Ø 6 = lumbalisatie
Ø 4 (zijn ze verweven met het sacrum) = sacralisatie
Er is geen verband tussen minder of meer wervels en rugpijn.
Pagina 3 van 73